Zin in Zondag | De dominee komt voorbij | Victor Bulthuis

Haat...

Luister hier naar het fragment

‘Dood aan dat tuig!’ roep ik richting de tv, die beelden van een aanslag van moslimterroristen op een kerk de woonkamer in slingert. Voor u verontwaardigd opstaat en wegloopt: ik ben niet voor de doodstraf, o nee. Maar wie zijn eigen god tegen die van anderen uitspeelt met als inzet het leven van onschuldige mensen, die misgun ik spontaan het licht in de ogen. Alleen in mijn verbeelding natuurlijk, wees gerust.

Zo’n woede-uitbarsting is als plotseling opkomend noodweer dat op een kalme, windstille zomerdag een verwoestend spoor trekt door het keurig onderhouden tuintje van mijn innerlijk leven. Ik haast me dan ook om de boel weer op orde te brengen en mijzelf ervan te overtuigen dat ik eenieder wel degelijk het licht in de ogen gun, zelfs degene die dat zijn evenmens niet gunt.

Op zo’n moment schiet mij vaak Psalm 139 te binnen. Een wonder van inkeer en verstilling, een aaneenschakeling van intieme beelden waarmee de psalmdichter God haast tot een lijfelijk, zintuiglijk wezen maakt. Gods hand die zijn leven in de schoot van de aarde - beeld van de moederschoot - heeft geweven, de koesterende hand die op zijn hoofd rust en hem waar nodig in zijn nekvel grijpt, maar alleen om te voorkomen dat hij afdwaalt. Gods oog dat hem al zag voor hij werd geboren, de alziende blik die door het donker van de nacht priemt alsof het klaarlichte dag is. Achttien verzen lang mijmert de dichter over het wonder van God die, om met Augustinus te spreken, hem meer nabij is dan hij zichzelf nabij is. En over het wonder dat hij zélf is, als Gods maaksel.

Maar dan is er - bam! - die verbale onweersbui:

19. O God, breng de goddeloze om!

Mannen van bloed, ga weg van mij.

20. Want met listige plannen spreken zij over U

en zij zetten Uw vijanden aan tot valsheid.

21. Zou ik niet haten, HEER, wie U haten,

walgen van wie tegen U opstaan?

22. Ik haat hen met een volkomen haat,

mijn eigen vijanden zijn het.

(uit Psalm 139)

Maar liefst viermaal laat de psalmdichter zijn woede donderen en bliksemen, smeekt hij God om de ‘bloedmannen’ te verdelgen. Waar komt dit woordengeweld ineens vandaan? Zijn deze verzen misschien later aan de psalm toegevoegd? In dat geval mag je er overheen lezen en ongestoord verder mijmeren. Of zit hierin juist de crux van de psalm? Is de psalmdichter zo woest omdat hij ten onrechte van afgoderij wordt beschuldigd en zich daarvan wil vrijpleiten bij God? Of is hij niet de beklaagde maar juist de aanklager, die zijn tegenstanders beschuldigt van afgoderij en hen daarom dood wenst? In elk geval verknoopt hij zijn lot nauw met dat van zijn God: wie aan mijn God komt, komt aan mij, en omgekeerd.

Hoe we de verzen 19-22 ook interpreteren, juist dankzij hun venijn geven ze de verstilde psalm iets spannends en urgents. Want woede kan heilig zijn, waar iets van grote waarde in de knel is gekomen. Hier is dat de integriteit van de psalmdichter, maar ook die van zijn God: die hangen nauw samen. Zijn woede-uitbarsting doet pijn aan je oren, maar werpt ook een wal op tegen de schending van wat heilig en kwetsbaar is.

Een scepticus zal verzuchten: die lichtgeraaktheid van gelovigen ook, laat ze een gezonde eeltlaag op hun ziel aankweken! Maar wie zo denkt, mist de pointe. Een mens kun je niet dieper raken dan in zijn relatie met wat hem heilig is, wat hem schept, draagt en geleidt. De woede van de psalmdichter maakt hem daarom menselijk, ja moedig. Ze is niet alleen noodweer in de zin van een verwoestende donderbui. Ze is ook noodweer in de zin van noodzakelijke verdediging tegen de aanranding van zijn persoon en die van God. Zoals Aristoteles zegt: ‘Wie verdraagt dat hij door het slijk gehaald wordt en lijdzaam toeziet wanneer dat met zijn verwanten en vrienden gebeurt, gedraagt zich als een slaaf.’ Zo’n slaaf wil de psalmdichter niet zijn.

Ik ook niet. Natuurlijk word ik zelf niet met de dood bedreigd, godzijdank. Maar de aanblik van gelovigen die door andere gelovigen worden vermoord, vervult mij met eenzelfde soort vernietigende woede.

Maar daar laat ik het niet bij. Net als de psalmdichter probeer ik mijn woede voor God te brengen, om te voorkomen dat ze mij en anderen verteert. Corrigeer mij, zeg ik dan, zelfs al komt mijn woede mij nog zo heilig voor. Want de doodstraf gun ik uiteindelijk niemand, zelfs de ergste terroristen niet. Maar dat God ze in hun nekvel grijpen mag, o ja.

💬 WhatsApp ons!
Heb jij een tip of opmerking voor de redactie? Stuur ons een bericht op 06 - 220 543 52 of stuur een mail: omroep@gld.nl!