Opruimen en terug aan het aanrecht
In de nazi-ideologie was geen plaats voor vrouwen in mannenberoepen. Vrouwen hoorden bij hun gezin, of hoogstens in de gezondheidszorg en jeugdzorg. Maar hoe langer de oorlog duurt, hoe vaker vrouwen mannenwerk doen. Elke man tussen de zestien en zestig jaar moet in militaire dienst. Wie niet sneuvelt, komt na de oorlog in een krijgsgevangenkamp terecht en doet er maanden, soms jaren over om weer thuis te komen.
Ondertussen moeten de achtergebleven vrouwen in Duitsland zien te overleven in het platgebombardeerde land. Fabrieken, boerderijen en transport liggen zo goed als stil vanwege de oorlogsvernielingen en het gebrek aan menskracht. Er is een vrouwenoverschot van zeven miljoen, jeugdcriminaliteit tiert welig, een op de tien baby's sterft na de geboorte, en er is hongersnood.
In die periode duikt 'de Trümmerfrau' op. De geallieerden stellen alle Duitse vrouwen tussen de vijftien en de vijftig tewerk die niet voor drie of meer kleine kinderen hoefden te zorgen. Zij moeten het puin ruimen – met touwen, karren en vrouwkracht. Ze bikken stenen af om opnieuw mee te bouwen – nieuw bouwmateriaal is er niet. Er wordt nog meer gerecycled: helmen worden etenspannen, granaatpatronen bloemenvazen.
Duitse vrouwen krijgen ook te maken met een speciaal voor vrouwen naoorlogs fenomeen: seksueel geweld door de overwinnaar. Vooral vrouwen in het door Russen bezette deel van Duitsland worden systematisch verkracht. Niet één, maar meerdere keren. Jong of oud, geen vrouw of meisje is veilig.
Het eind van de oorlog betekent voor Duitse vrouwen geen vrolijke bevrijding. Want hoe houd je stand als je de verliezer bent van een oorlog? Hoe overleef je systematische verkrachting?Hoe moet je verder als de maatschappij waarvan je deel uitmaakte en waar je in geloofde, het Duizendjarig Rijk van Hitler, zo roemloos ten onder is gegaan? Vrouwen moeten niet alleen letterlijk buiten puinruimen, maar ook van binnen.
Feministen, maar dan zonder tuinbroek
Sterk moet ze zijn, de vrouw in oorlogstijd. Mannen zijn werkloos, ondergedoken of tewerkgesteld in Duitsland. Maar de bezetting heeft geen emanciperend effect op Nederlandse vrouwen. Na onzekere tijden willen gezinnen leven als vanouds: de man als kostwinner, de vrouw voor het huishouden en de kindjes. Toch weet een klein groepje vrouwen een doorbraak te forceren.
door Francine Wildenborg
Dat de oorlog gezorgd heeft voor dè emancipatie van de vrouw is een mythe, stelt docent economische en sociale geschiedenis Angèlique Janssens van de Nijmeegse Radboud Universiteit. „De echte vrouwenemancipatie, zeker wat betreft arbeid, vond pas decennia later plaats, in de jaren zeventig en tachtig.”
In landen als de Verenigde Staten en Engeland worden vrouwen ingezet in de oorlogsindustrie, terwijl in Nederland de vrouw voornamelijk thuis blijft. Net als in de jaren daarvoor. Engelse en Amerikaanse mannen vertrekken naar het front, Nederland is vooral bezet en lang gaat het leven nog door zoals het was. Het gaat in de eerste jaren van de oorlog economisch juist eindelijk weer goed, na de crisis van de jaren dertig.
Nu is de werkloosheid voorbij en neemt het leven zijn vertrouwde loop: met de vrouw die zorg voor de kinderen en het huishouden op zich neemt, en de man die werkt. Pas in de laatste oorlogsjaren, als mannen werkloos raken, moeten onderduiken of tewerkgesteld worden in Duitsland, verandert er wat in de thuissituatie van het Nederlands gezin. Janssens: „De vrouw moet het meer zelf rooien thuis, ze neemt de mannentaken op zich. In de VS is dat nog sterker: de man naar het front, de vrouw werkt in de oorlogsindustrie en moet ook nog het gezin draaiende houden. Die situatie was Nederland vreemd.”
Hoe dan ook: de vrouw moet zich sterk houden. Zeker door schaarste en honger is het een zware taak het gezin draaiende te houden. Op het moment dat de oorlog ten einde loopt, de man weer thuis en aan het werk, willen gezinnen in Nederland eigenlijk niets liever dan de oude verhoudingen in ere herstellen, vertelt Janssens. De truttige jaren vijftig spreken boekdelen. Wie kent de beelden niet van moeder de vrouw, netjes gekapt en met schort voor aan het aanrecht, man en kindjes aan tafel wachtend op een dampend bord met een liefdevol bereide maaltijd?
Wel, zo zegt Janssens, is er lichte kentering te proeven. De vrouw heeft, doordat ze er alleen voor heeft gestaan, gezien dat ze dat kan. „Dat verandert het zelfbeeld in positieve zin. In Amerika en Engeland, is die ontwikkeling nog duidelijker.” Ook zijn de verhoudingen binnen het gezin veranderd, omdat mannen van huis zijn geweest, gezinnen ondergedoken zijn. Niet voor niets is een enorme toename in het aantal echtscheidingen te zien. „Ook is er een piek in het aantal buitenechtelijke kinderen waarneembaar. Maar, vergis je niet, er worden juist ook weer veel huwelijken gesloten Èn er worden veel kinderen geboren: de babyboomgeneratie.”
Dè slogan van die tijd was: ‘volksherstel is gezinsherstel’, vertelt de docente geschiedenis. „Een van de centrale elementen daarin was dat vrouwen zich niet begaven op de arbeidsmarkt.”
Hoogleraar maatschappijgeschiedenis Maria Grever aan de Erasmus Universiteit Rotterdam beaamt dat vrouwen door de oorlog niet op grote schaal geëmancipeerd zijn geraakt. „Maatschappelijk was de ideologie gericht op gezinsherstel. Het traditionele kostwinnersmodel was in Nederland altijd al de centrale visie geweest.” Maar ze benadrukt dat de oorlogsjaren wel degelijk een emanciperend effect hebben gehad, al is dat indirect en niet zo zichtbaar.
Ze noemt Marie Anne Tellegen en Marga Klompé als voorbeelden: „Vrouwen die al voor de oorlog politiek actief waren en in de oorlog ondergronds werkten aan een nieuwe landelijke vrouwenorganisatie. „Hun feminisme is niet te vergelijken met dat in de jaren zeventig en tachtig, maar heeft zeker wel de basis gelegd voor die tweede feministische golf”, stelt de hoogleraar.
Deze vrouwen blijven ook na de oorlog actief. Grever: „Hun inzet leidde ertoe dat in 1956 de vrouw volgens de wet handelingsbekwaam werd. Daarvoor had zij voor het sluiten van elk contract de toestemming van haar echtgenoot nodig.” Marga Klompé werd in datzelfde jaar 1956 de eerste vrouwelijke minister van Nederland. „Een jaar later werd het ontslag van huwende ambtenaressen ingetrokken. Zo truttig waren de jaren vijftig dus niet.”
Het Nederlandse Vrouwen Comité (NVC), waar Marie Anne Tellegen (na de oorlog directeur van het Kabinet der Koningin) vanaf 1944 voorzitter van is, wordt opgericht in 1941. Zo wordt de basis gelegd voor de latere Nederlandse Vrouwen Raad. Het NVC werkt aan de versterking van de positie van vrouwen in het onderwijs en op de arbeidsmarkt.
Grever: „Natuurlijk waren de politiek actieve vrouwen uitzonderingen. Maar deze kleine groep kreeg het voor elkaar dat enkele zeer beperkende wetten voor vrouwen ongedaan werden gemaakt.”
De feministen van toen dragen geen tuinbroek; sommigen zijn heel gelovig. „Religie sterkte hen in hun strijd voor een betere positie van vrouwen. Zowel katholieken als protestanten hadden actieve vrouwenorganisaties.”
De vrouwen weten elkaar te vinden in een verzuilde samenleving. Zo ook bij het Korps Vrouwelijke Vrijwilligers (KVV) dat net voor het begin van de oorlog wordt opgericht om vluchtelingen tijdens een oorlog op te vangen en de voedselvoorziening te organiseren. Jane de Iongh staat aan de leiding van het Korps. Ze vreest de grote gevaren van luchtwapens voor de burgerbevolking. Bovendien is de oprichting van de KVV een tegenreactie op een wetsvoorstel dat gehuwde vrouwen alle arbeid buitenshuis wil verbieden.
Sekse is de basis waarop de vrouwen zich verenigen; religie, levensbeschouwing en stand zijn niet van belang. Wel wordt van korpsleden verwacht dat ze zich op een bepaalde manier gedragen: geen drank, sigaretten en make-up, wel discipline en trouw. Onvergelijkbaar met het feminisme zoals we dat nu kennen, wel een tegenreactie op een maatschappij die van de vrouw niet verwacht dat ze haar ‘mannetje staat’.
Koningin Wilhelmina.
Ook aan hand van maatschappelijke idolen zegt Grever te kunnen zien dat de positie van de vrouw verandert in de oorlog. Koningin Wilhelmina krijgt door de oorlog een bijzondere positie. Ze is een sterke vrouw, een baken in onzekere tijden. Ze wordt gezien als een heldin, door zowel mannen als vrouwen. Ze is de eerste vrouw die de militaire Willemsorde krijgt. Bijzonder is ook volgens de hoogleraar dat Wilhelmina daadkrachtige vrouwen aantrekt. „Zo werd de katholieke Jeanette Geldens uit Nijmegen, een van de eerste vrouwen bij de politie, haar particulier secretaris. Geldens had geweigerd om een transport van joodse vrouwen te begeleiden. Ze werd door de Duitsers opgepakt en vastgezet in Vught.”
In 1948 wordt gediscussieerd over het voorstel een vrouwenuniversiteit op te richten. Grever: „Dat is een mooi voorbeeld. Je kunt zeggen: dat is niet geëmancipeerd, want waarom zou je mannen en vrouwen apart onderwijs laten volgen? Van de andere kant: het feit dat men rekening hield dat grote groepen vrouwen een academische opleiding gingen volgen, wijst op een trendbreuk. Dat was voor de oorlog onvoorstelbaar.”
Kortom: emancipatie door de oorlog: ja. Maar niet zo flitsend als de vrijgevochten tuinbroeken drie decennia later.




