Weer vrij!
In Gelderland komt de bevrijding weer op gang in het voorjaar van 1945, als Operation Veritable van start gaat. In alle steden en dorpen gaat de bevrijding ongeveer hetzelfde: de militairen worden met gejuich ingehaald, trossen kinderen hangen aan de jeeps en tanks, de ‘Tommy’s’, Canadezen of Amerikanen, worden platgezoend door de Nederlandse vrouwen en meisjes. De bevrijders delen grif chocola en sigaretten uit, luxeartikelen die Nederlanders in lange tijd niet meer hebben geproefd.
Er is geen overheid meer: de Duitsers zijn weg, de door Duits gezag aangestelde machthebbers worden door niemand meer erkend. Daarvoor in de plaats komen de Binnenlandse Strijdkrachten, de BS - leden van het verzet - die voorlopig overheidstaken waarnemen. Maar hun gezag wordt niet altijd erkend in de vrijheidsroes (met een onmiskenbaar zweem van vergelding en testosteron) die in de zomer van 1945 heerst.
Honderdduizenden Nederlanders keren terug naar huis, over kapotte wegen en sporen, liftend of met Rode Kruistransporten. Niet alleen vanuit Duitsland en Polen, waar de joden en de dwangarbeiders heen waren gestuurd. Maar ook de evacués uit andere plaatsen en de onderduikers. Naast vreugde om de thuiskomers is er ook verdriet om degenen die de bevrijding niet meer kunnen meemaken.
Verdriet is er ook om wat mensen aantreffen: hun huis vernield of leeggeroofd, de veestapel weg, het land bezaaid met mijnen en achtergelaten oorlogstuig. Megchelen in de Achterhoek is zo kapotgemaakt dat mensen wel iets anders aan hun hoofd hebben dan feestvieren. En in Venlo dat al op 1 maart is bevrijd, wordt het feest pas in september gevierd. Dan pas is het merendeel van de evacués weer thuis. Het echte werk moet dan beginnen: puinruimen, mijnen ruimen, en opbouwen.
Kleine stukjes uit een vrouwenleven
‘Eenheid in veelheid’, ‘Nieuw uit oud’. Dat zijn de motto’s voor de Nationale Feestrok. Na de bevrijding worden vrouwen opgeroepen zo’n rok samen te stellen en deze te laten registreren bij het Nationaal Instituut. Mevrouw Ali Stam-Van de Vooren (87) uit Ochten heeft haar feestrok al die jaren bewaard.
door Karen Mulder
Ze heeft het bijzondere kledingstuk maar een paar keer gedragen. „Ik weet nog goed dat ik de rok voor het eerst aan had”, vertelt mevrouw Ali Stam-Van de Vooren (87) uit Ochten. „Dat was tijdens de viering van de eerste Bevrijdingsdag, in mei 1946. Heel bijzonder.”
De bontgekleurde feestrok, gemaakt van tientallen lapjes stof, hangt over de leuning van het bankstel in de Ochtense huiskamer. Onderaan de rok tien punten, waarin de toen nog jonge Ali in de loop der jaren keurig de data van de verschillende Bevrijdingsdagen borduurde. „Deze rok symboliseert kleine stukjes uit mijn verleden.”
Vrijwel ieder stukje stof staat voor een herinnering. Ze wijst op een lapje donkerblauw: „Afkomstig van de jurk die ik droeg tijdens de evacuatie. Die had ik zo vaak aan, dat er overal gaten in zaten. In die dagen was er amper gelegenheid je kleren te wassen of te herstellen. Ik herinner me dat ik ook een roodbruine jurk had. Dit”, wijst ze op een veelkleurige stof, „is van een omslagdoek. En dat fluweel is een lapje van een bloes van mijn moeder.”
Net als haar moeder houdt de jonge Ali van handwerken. „We waren altijd aan het prutsen. Breien, haken. Toen ik nog klein was, ging mijn moeder naar een naaiatelier in Tiel. Lopend.”
Aan deze vorm van handenarbeid komt abrupt een einde als in 1939 de mobilisatie wordt afgekondigd. Ali heeft juist de zolder van haar ouderlijke woning opgeruimd, als ze het hoofd van een soldaat in het zolderluik ziet opdoemen. „Hij was de trap opgeklommen. Ze kwamen inkwartieren. In mei 1940 wemelde het van de vliegtuigen boven Ochten.”
In de Waal bij het dorp liggen zwarte kolenschepen gereed, bedoeld voor de lokale bevolking. „Daar moesten we in”, vertelt mevrouw Stam. „Heel Ochten moest met de boten mee. Het was de bedoeling dat de schepen naar Zeeland zouden varen. Maar bij Papendrecht kwamen we stil te liggen, want Rotterdam stond in brand. We lagen een week op de Merwede. Daarna konden we weer terug naar Ochten. Er werden bussen voor ons ingezet.”
De jonge Ali is lid van de Plattelandsvrouwen. Na de oorlog komt verzetsvrouw Mies Boissevain-Van Lennep bij deze organisatie vertellen over haar ervaringen. Boissevain is bovendien de bedenkster van de Nationale Feestrok. Het idee voor deze rok is gebaseerd op de motto’s Eenheid in veelheid, Nieuw uit oud, Opbouw uit afbraak en Eén dracht maakt eendracht. „Die gedachte sprak me enorm aan. Bovendien hield ik van handwerken. Dus besloot ik zo’n rok te gaan maken. In Ochten waren er maar twee met zo’n rok”, weet mevrouw Stam nu nog. „Sommigen hadden een schortje gemaakt, ook gebaseerd op het idee van de Nationale Feestrok. Dat was minder arbeidsintensief en je had er bovendien minder stof voor nodig.”
Vier jaar voor de bevrijding moeten Ali en haar familie hun geboortedorp opnieuw ontvluchten. Op een prachtige dag, herinnert mevrouw Stam zich 65 jaar later. „Het vuur kwam van de Grebbeberg. De hooiberg bij ons huis was al verwoest. Ik had thuis willen blijven, maar mijn moeder had geen rust. We vluchtten naar een steenfabriek in Dodewaard. We wilden de Waal oversteken, want de overkant was toen al bevrijd. Maar we stuitten op Duitsers en moesten lopend naar Echteld.”
Via het voormalige dorpje Drumpt bij Tiel, Zoelen en Erichem („waar op zeshonderd inwoners indertijd achthonderd evacués verbleven”) keert het gezin uiteindelijk in juni 1945 terug naar Ochten. Het dorp is verwoest, maar de woning van het gezin Van Vooren staat er nog. In de keuken treffen ze een dode hond aan en onder de hooiberg dode schapen. „Er was niks meer. Helemaal niks.”
De naaimachine lag in de sloot, weet mevrouw Stam nog. „Het houten onderstel was eraf gesloopt. Ramen en deuren waren verdwenen. Nee, het was geen feest om thuis te komen.”
Langzaam krijgt het dagelijkse leven weer een beetje vorm. Vergeelde kiekjes tonen Ali in haar feestrok. Als jonge vrouw op de fiets. „Op weg naar Tiel, waar koningin Wilhelmina een bloemenwinkel opende. Aansluitend ben ik als een speer naar Echteld en IJzendoorn gefietst. Want daar kwam ze voorbij tijdens een rondrit in haar auto.”
Tijdens een volgende bijeenkomst van de Plattelandsvrouwen in Avezaath laat Ali Van de Vooren haar Feestrok registreren bij het Nationaal Instituut. In de tailleband van de rok borduurt zij de tekst ‘We zijn er nog niet, maar we komen er wel’




