Kind in Bergen-Belsen

Net als duizenden andere vrouwen bezwijken Gerrie en Minnie Jolink eind 1944 en begin 1945 in Ravensbrück als gevolg van de erbarmelijke omstandigheden in het kamp, dat ten noorden van Berlijn ligt. De zussen uit Varsseveld moeten hulp aan onderduikers met hun leven bekopen. Afgezien van Birkenau, dat onderdeel uitmaakt van Auschwitz, is Ravensbrück het grootste vrouwenkamp in nazi-Duitsland. Tussen 1939 en 1945 zitten er 132.000 vrouwen gevangen, waaronder 866 Nederlandse. Deze politieke gevangenen uit Vught komen in september 1944 aan in het kamp. In Ravensbrück worden ook 3.500 vrouwelijke kampopzichters, ‘SS-Aufseherinnen’, opgeleid. Een aantal van hen wordt bewaakster in Kamp Vught, dat een speciaal ‘Frauenlager’ heeft. In 1943 en 1944 huizen daar vierduizend vrouwen.

Vught wordt berucht door het zogenaamde bunkerdrama. Als een aantal vrouwen protesteert tegen opsluiting van een medegevangene in de kampgevangenis, ‘de bunker’, laat kampcommandant Grünewald 74 vrouwen een nacht lang opsluiten in een cel van negen vierkante meter. Ventilatie ontbreekt. Tien van hen overleven dat niet.

Behalve de politieke gevangenen herbergt Vught in het ‘Judendurchgangslager’ meer dan vijfduizend joodse vrouwen en kinderen in afwachting van transport. De meeste joden gaan echter via kamp Westerbork naar Duitsland en Polen. 107.000 van de 140.000 in Nederland wonende joden worden gedeporteerd naar Auschwitz, Sobibor, Bergen-Belsen of Theresienstadt. 102.000 van hen worden vergast of vinden door honger en ziekte de dood. Het percentage joodse gedeporteerden uit Nederland is het hoogste van alle landen in West-Europa. Niet voor niets zei Adolf Eichmann: „In Nederland verliepen deze transporten zo vlekkeloos dat het een lust was om naar te kijken.”


Kind in Bergen-Belsen

 

door Lori Schulpen

 

Mariejanne (Mieke) van Creveld-Zeehandelaar zit tussen haar zesde en negende in een concentratiekamp. Samen met haar moeder en haar zusje Ronetta overleeft ze Westerbork en Bergen-Belsen. Openhartig vertelt de Molenhoekse over spelen achter prikkeldraad, de zorgen van haar moeder en de invloed van de oorlog op een kind. „Op transport gaan betekende reizen en avontuur.”

 

 

„Toen de oorlog uitbrak, was ik vier jaar oud. Mijn ouders waren heel zenuwachtig en de radio stond de hele dag aan in ons huis in Amsterdam. Ons gezin was niet orthodox, maar wel bewust joods. We hebben via IJmuiden geprobeerd te vluchten maar we zijn voor de avond teruggegaan omdat mijn moeder niet voldoende eten voor mijn zusje bij zich had. Ronetje was toen negen maanden oud. Nu zeg ik, god, waarom heeft ze dat kind niet een fles water gegeven, dat had ook gekund. Maar mijn ouders waren niet geprogrammeerd om te vluchten, dat zat niet in ze.

We zijn al heel vroeg opgehaald, op 2 september 1942, en naar Westerbork gebracht. Daar hebben we negentien maanden gezeten. Dat is heel lang, want normaal gesproken werden mensen meteen doorgestuurd. Omdat we goede connecties hadden en een beetje geld stonden we op een lijst, waardoor we niet weg hoefden. Eerst was dat de zogenaamde Puttkammerlijst en later kregen we Hondurese papieren. Die hebben ons leven gered omdat we pas laat weg hoefden en in Bergen-Belsen terecht kwamen. Daar waren geen gaskamers, zoals in Auschwitz.

Het is heel dubbel, maar ik ben nooit bang geweest dat me iets zou overkomen. Op transport gaan leek me heel interessant, dat betekende reizen en avontuur. Het was een hele beklemmende sfeer, maar ik realiseerde me niet dat ze het op ons leven hadden gemunt. Misschien was dat suffig, maar ik ben ook geen bang type, nog steeds niet. In het begin kon je ook nog gewoon spelen. Ik had een bewaarplaats voor schatten en een club met andere kinderen. Dat zijn zulke typische dingen, vind ik. Als volwassene bestaat het kamp uit ontzettend veel zorgen, maar voor een kind niet.

 

 

Mijn moeder heeft in Westerbork een tijd in het ziekenhuis gewerkt en mijn vader op de school, maar op een gegeven moment was dat afgelopen. Mijn grootouders zijn in 1943 gekomen en die waren na een week weg. Ik weet nog dat mijn vader een tweede baantje in de ordedienst had en met hun bagage moest slepen, maar hij kon voor zijn ouders, oude mensen, helemaal niets doen. Een broer van mijn vader ging met hen mee en ze zijn alle drie in Sobibor omgekomen. En ik weet dat mijn vader huilde toen ze in die trein gingen. Vreselijk. Dat zijn van die momenten… Het lijkt alsof het allemaal niet zo erg was maar dat was schijn.

 

 

In februari 1944 zijn we op transport gegaan naar Bergen-Belsen. Wij zaten in een ‘Austauschlager’, omdat we uitgewisseld zouden worden tegen Duitse krijgsgevangenen. Dat is bij ons niet gebeurd, maar we werden wel iets beter behandeld dan andere gevangenen. We waren een soort ruilmateriaal en moesten daarom in leven blijven. Toch was het vanaf het begin vreselijk in het kamp. Bij aankomst werden we meteen gescheiden van mijn vader, al konden we hem nog wel zien. Mijn moeder probeerde ’s avonds met ons te eten als er eten was. Zij heeft altijd voor ons gezorgd en veel moeite voor ons gedaan. Ondanks alles waren we toch een familie en dat is ons behoud geweest. Er zijn ook nog briefjes van mijn moeder uit Westerbork waarin ze naar onze niet-joodse dienstbode schreef: ‘Wil je kousen sturen want de onze zijn kapot.’ Dan denk ik: had je geen andere zorgen aan je lijf? Maar het was moeilijk om aan andere dingen te wennen. Bovendien, mensen probeerden het gewone leven in stand te houden, want als je dat liet varen, ging het heel slecht met je. Mijn moeder was een heel adequate vrouw. Zo waste ze ons elke dag poedelnaakt met koud water in Bergen-Belsen. Ik kan me niet herinneren dat we daar schone kleren hadden, maar ze waste ons wel. Het was belangrijk om hygiënisch te blijven waar dat kon.

Op het laatst verslechterde de toestand snel. Het rantsoen werd steeds minder en soms kregen we helemaal niets. Veel mensen zijn gewoon verhongerd. In Bergen-Belsen werd je niet vergast maar op den duur ging je dood. Zeker op het einde was de logistiek in Duitsland weg om voor eten te zorgen en wij waren natuurlijk de laatsten die in aanmerking kwamen voor voedsel. En we wisten wat er met joden gebeurde, want in november 1944 kwamen er transporten uit Auschwitz in het kamp aan. Die mensen schreeuwden over de hekken, dat mensen daar vergast werden. Toen zei mijn vader: ‘Ik denk dat mijn ouders niet terugkomen.’

Er brak een vlektyfusepidemie uit en daar gingen veel mensen aan dood. Er lagen stapels lijken. Mijn zusje en ik stonden naar die hoop lijken te kijken, want dat was toch niet heel gewoon en mijn moeder trok ons overstuur weg. Maar dat was daar het leven. Ik wist als kind niet meer dat het ooit beter was en dus paste ik me aan. Ik werd pas op het laatst ziek, dus deed ik mijn plicht en haalde eten. Omdat ik een kind was, probeerden ze me altijd te weinig te geven, dus ik zei al van te voren dat het niet genoeg was. Dan zeiden ze altijd: daar komt dat kreng weer. Ja, ik was niet schattig maar ik deed wat ik moest doen.

 

 

We zaten allemaal onder de luizen, ook op ons hoofd en toen heeft mijn moeder ons haar eraf geschoren. Dat was heel erg omdat ik na de oorlog net zo’n kaalgeschoren kop had als die NSB-vrouwen. Het duurde ook vrij lang eer het weer aangegroeid was en op school werd ik gepest, maar ik heb wel mooie krullen gekregen daarna.

In april 1945 zijn we op transport gezet en werden we onderweg bij Tröbitz door de Russen bevrijd. Op die ochtend reden er soldaten uit Mongolië op paarden langs de trein. Het zag er prachtig uit, alle bomen bloeiden, het was onwerkelijk mooi. Nog altijd moet ik daaraan denken, ieder voorjaar. Twee dagen na de bevrijding is mijn vader overleden. Hij is 39 geworden. Ik wist dat hij dood zou gaan. Iedereen ging dood in het kamp en je had mazzel als je nog leefde.

Al was ik pas negen, toch was ik na de oorlog eigenlijk een oude vrouw. Er zijn eisen aan me gesteld die je nooit aan een kind zou stellen. Het heeft mijn hele leven beïnvloed, maar je gaat toch verder, dat zit in de mens. Ik ben verpleegster geworden en heb kinderen gekregen, twee dochters en een zoon. Het gezin is heel belangrijk, dat heb ik vanuit de oorlog meegekregen en dat vind ik nog steeds. Dat we samen waren, dat is ons behoud geweest.”


A A A
dinsdag 20 april 2010 | 17:49 | Laatst bijgewerkt op: dinsdag 20 april 2010 | 17:57
|
Nieuw bericht
Bedankt voor uw reactie!
Mogelijk wil de redactie met u in contact komen over dit onderwerp.
Laat hiervoor uw telefoonnummer en woonplaats achter.