Vrouwen in Indische kampen

De Europese mannen worden direct na de Japanse bezetting naar kampen gebracht. Vrouwen en kinderen moeten eerst in aparte wijken gaan wonen. Later brengen de Japanners hen over naar de zogenaamde Jappenkampen. „Vooral de moeders hebben het zwaar gehad”, herinnert Lies Sipma-van Kesteren uit Wageningen zich, die als jong meisje met haar moeder in een interneringskamp belandt. „De scheiding van de mannen en zoons vanaf tien jaar heeft op veel van hen een traumatisch effect gehad.” Jongens van zestien worden gescheiden van hun moeder en moeten naar een jongenskamp vertrekken. Halverwege 1944 gaat die grens omlaag naar tien jaar.

Ongeveer 120.000 Nederlanders worden opgesloten in interneringskampen.  Van hen laten 13.000 voor de bevrijding het leven. Er is een tekort aan voedsel omdat de Japanners weinig interesse hebben voor de kampen en de gevangenen vaak hard moeten werken. „De vrouwen en oudere meisjes moesten keihard werken”, vertelt Lies. „Koken, met drums sjouwen, huizen schoonmaken. Fouten werden keihard afgestraft. Vaak was niet eens duidelijk waarom. Mijn moeder kreeg bijvoorbeeld klappen omdat ze een Japanse militair in de ogen keek. Ze weigerde haar blik naar de grond te richten. Een trotse vrouw.”

Op 6 augustus 1945 gooien de geallieerden een atoombom boven Hiroshima af (meer dan 60.000 doden) en drie dagen later eentje boven Nagasaki (40.000 doden).  Pas dan besluit de Japanse keizer tot overgave en is de Tweede Wereldoorlog echt ten einde. De latere president Ahmed Soekarno roept dan de Republiek Indonesië uit. Pas na twee grote Nederlandse militaire operaties, politionele acties genaamd, wordt Indonesië in december 1949  officieel onafhankelijk.


Bij ‘kiri’ moest je heel diep buigen

 

Ze ziet nog het gezicht van haar moeder voor zich toen ze werd weggedragen naar het hospitaal in het Jappenkamp. „Ze lachte.” Nel Appels- van Heijst (70) uit Nijmegen groeit op in een Jappenkamp op Java.

 

door Suzanne Huibers

 

Twee handen tegen haar wangen. Donkere ogen die haar vertederd aankijken, terwijl zij afschuw voelt want ze kent de verhalen van de oudere meisjes. „Maar de Jappen hielden van kinderen. Ze misten hun eigen kinderen.” Nel Appels-van Heijst zit aan de eettafel in haar woning in Nijmegen. Haar babyalbum ligt voor haar op tafel.

 

 

Haar vader is suikerondernemer in het oosten van Java als zij in 1940 wordt geboren. Haar moeder was in Rotterdam met de handschoen getrouwd en naar Indonesië vertrokken. Het album toont een gelukkig gezin met twee jonge dochters. In 1942 houdt het album op. De Jappen vallen binnen en er ontstaat chaos op Java. „Mijn ouders waren geliefd en zijn daarom beschermd door de inlanders. Het personeel heeft onder al onze spullen onze naam gezet. Daardoor is veel bewaard gebleven.”

Op 29 augustus 1943 vertrekt haar vader naar een kamp. Twee dagen later worden Nel Appels, haar moeder en zus ook naar een kamp gebracht. Ze komen op midden-Java terecht in Banjoebiroe, vlakbij Ambarawa, ongeveer 50 kilometer ten zuiden van Semerang. Banjoebiroe betekent blauw water. Appels zit met haar moeder en zus in de celblokken rechts achter de paardenstal. „In de cel in de hoek.”

In dat cellenblok beginnen de herinneringen aan haar jeugd. Ze speelt met haar zus bij de waterput om dichtbij haar moeder te zijn die daar werkt. „Mijn moeder moest de was doen voor zieken. Andere vrouwen moesten met een lepel en vork een huis afbreken of gras steken. De Jappen hielden ze wel bezig.”

Het dagelijkse appèl staat in haar geheugen gegrift. Ze begint spontaan een liedje te zingen, het lied dat ze zong als ze naar het appèl liepen. Op een plattegrond van het kamp wijst ze aan waar ze altijd stond. „Bij ‘kiri’ moest je buigen. Heel diep. Ze kwamen met een lat controleren of het diep genoeg was. Ze telden ons. En als ze de tel kwijt waren, begonnen ze overnieuw waardoor een appèl eindeloos kon duren. En je moest maar blijven staan.”

 

 

En dan de stijfselpap die je een gevuld gevoel gaf. En de gekookte slakken die Appels eigenlijk best lekker vond. „De lombokstruiken waren heel ‘pedis’, heel pittig. We aten ook maïs. Djagoen. De Jappen aten zelf de beste. Wat overbleef, veevoer eigenlijk, mochten wij hebben.” De honger was groot, herinnert Appels zich. „Mijn moeder gaf ons af en toe een suikerklont. Dat mochten de anderen niet zien en zeker de Jappen niet.”

De vrouwen hopen op een teken dat de ellende snel voorbij zal zijn. Als op 21 januari 1945 een vliegtuig overkomt dat een parachute uitgooit, rent het kamp uit. Ze pakken de pamfletten op. Maar dan wordt het februari, maart en weer april. „De teleurstelling was groot. Mijn moeder werd ziek in mei. Ik herinner me nog haar gezicht toen ze werd weggedragen naar het hospitaal in het kamp. Ze lachte.” Heel even sluit Appels haar ogen, zwijgt en gaat dan verder met haar verhaal.

Ze heeft gedurende jaren veel informatie verzameld over de oorlog in Indonesië en vooral over Jappenkampen. Puzzelstukje voor puzzelstukje verzamelt ze om gaten in haar herinneringen te dichten. Zo hoort ze pas in 1985 dat haar vader dysenterie heeft gehad. „Van mensen die bij hem in de trein hadden gezeten. Een man had gezegd dat hij niet uit de trein zou gaan als ze mijn vader zouden laten zitten. Anders was mijn vader in de trein achtergebleven.”

Haar moeder overlijdt op 17 juni 1945, twee maanden voor de capitulatie. „Een vrouw die voor ons zou zorgen toen mijn moeder er niet meer was, bleek het alleen om onze cel te gaan. We moesten voor haar de bloedluizen uit haar matras trekken. Een vriendin van mijn moeder, tante Fiep, kon het niet aanzien en heeft ons bij haar genomen. Omdat de lichamen van de overledenen direct het kamp uit werden gedragen, hebben we bij het hek afscheid van onze moeder genomen. We moesten ons ergens aan vastklampen. Dat werd tante Fiep.”

Als een Jap de vrouwen roept, heeft ze een poepbroek. Iedereen is boos op haar. Maar als de Jap voorleest dat de keizer heeft gecapituleerd, is de poepbroek snel vergeten.

De Engelsen halen de vrouwen en kinderen uit het kamp. „We werden naar Semarang gebracht naar een schuur vol muskieten. Je hoorde het schieten.” Op een platte boot met lakens erover worden ze naar Batavia gebracht. Met vrachtwagens wordt de reis voortgezet. De eerste wagens halen de bestemming. De laatste worden opgeblazen. Vijf jaar is Appels inmiddels. Ze herinnert zich de tocht nog als de dag van gister.

Met de ms Sloterdijk vertrekt ze naar Nederland. Haar vader hertrouwt en keert met zijn gezin terug. „Mijn vader zag een stoel in het ziekenhuis staan en zei ‘Die is van mij’. ‘Bewijs het maar’, zeiden ze. Hij draaide de stoel om en daar stond onze naam.” De fotoalbums lagen nog op de plek waar ze waren verstopt. Veel spullen zijn bewaard gebleven. Nu staan ze in de woonkamer in Nijmegen.

Het leven gaat verder waar het voor de oorlog was gestopt tot het gezin in 1950 Indonesië moet verlaten. „Met een luxer schip dan de eerste keer voeren we naar Nederland.” Appels keerde nog vaak terug naar het land. „Indonesië blijft in mij zitten.”




A A A
dinsdag 20 april 2010 | 17:32 | Laatst bijgewerkt op: donderdag 30 december 2010 | 10:55
|
Nieuw bericht
Bedankt voor uw reactie!
Mogelijk wil de redactie met u in contact komen over dit onderwerp.
Laat hiervoor uw telefoonnummer en woonplaats achter.