De bevrijding van de Achterhoek
De bevrijding van de Achterhoek begint op 23 maart 1945 rond Gendringen, waar Duitsers en geallieerden fel en verbeten vechten tot 30 maart. Op 1 april wordt Doetinchem bevrijd.
De gevechten in Doesburg gaan door tot 16 april. De geallieerde luchtaanvallen op deze steden, die bedoeld zijn om de Duitse bezettingsmacht murw te beuken, richten grote verwoestingen aan.
De geallieerde opmars verloopt dan weer snel, dan weer langzaam. Het hangt er maar van af hoe het moreel van de Duitsers is die ze tegenkomen.
De Duitse tegenstand is nauwelijks meer georganiseerd. Sommigen vluchten Duitsland in, anderen geven zich over. De meeste Duitse soldaten zijn of heel jong of vrij oud, meestal zijn zij onervaren. Ook daarom kunnen de geallieerden meestal vrij snel doorstoten.
Ze komen geregeld kleine groepen Duitsers tegen die zich tot het uiterste verdedigen. Van huis tot huis vechten ze, zonder zich te bekommeren om de bewoners van die woningen. En ze vechten tot het bittere einde. Zoals de Duitser die een Engelse verpleger die hem aan zijn verwondingen helpt, in z’n oor bijt.
Eenmaal bevrijd gaat de oorlogsmachine in zekere zin gewoon door, want de bevrijde wegen worden de transportaders voor het front dat steeds meer naar het noorden opschuift. De tanks en vrachtwagens met soldaten, wapens, munitie, voedsel, benzine en bouwmaterialen voor bruggen en andere militaire bouwwerken dreunen vrijwel onafgebroken door de straten.
De Gelderlanders gaan meteen aan de slag om het puin op te ruimen, huizen te repareren en om onderdak te bouwen voor degenen wier huis is verwoest. Menige Achterhoekse familie woont de eerste jaren na de oorlog in noodwoningen, bij familie of vrienden, of in het kippenhok.
Schuilkelder uit, kippenhok in
Bevrijding. Het klinkt heel feestelijk, maar na vijf jaar oorlog gaat voor veel mensen de knop niet in één keer om. Het grensdorp Megchelen bijvoorbeeld heeft weliswaar de primeur voor de Achterhoek, maar de laatste oorlogsdagen laten op de valreep nog extra diepe wonden achter. Zo diep, dat het dorp de bevrijdingsfeesten maar overslaat.
door Jennifer Faasen
Marietje Overgoor-Tinnevelt wijst op een oude foto. Boerderij, kinderen en hond. „In dat huis in Megchelen ben ik geboren, op 5 april 1929.’’ Andere foto, van het complete gezin. „Ik ben dat meisje met dat rode jurkje. De wind waait in mijn gezicht.’’
Marietje is net elf als de oorlog uitbreekt. Een spannende tijd voor kinderen, maar het leven in de oorlogsjaren gaat vooral zijn gang. „We hadden inkwartiering vanaf september 1944 tot aan de bevrijding, maar dat waren goede soldaten hoor. Ze kregen de beste kamer en richtten een ‘Schreibstube’ in. Je kunt niet zeggen: dè moffen. Dit waren aardige lui. Je moet niet vergeten dat vlakbij Megchelen de grens ligt. Wij hadden veel contact met Duitsers. We gingen als kind al naar de kermis in Anholt.”
Op 23 maart 1944 begint het ‘te rommelen’. Marietje pakt een andere foto, van een bospad bij de boerderij. „Twee Duitse soldaten op dat pad zeiden: ‘Marietje, niet weggaan!’ Maar ik moest en zou naar de kerk, ik ben doorgelopen, heb een ander meisje opgehaald en toen, om vijf uur, begon het granaatvuur. Overal soldaten, wij moesten op de grond gaan liggen. Nou, we vonden het eigenlijk wel spannend. Als tiener zie je het gevaar niet zo. We konden niet meer thuiskomen. Het regende granaten. We zijn bij een buurman blijven slapen, in de kelder.”
De volgende dag mag ze naar huis. „Ik heb onderweg tien keer op de grond gelegen. Ik vond het te gek! Maar toen ik thuis kwam, lagen alle ramen van ons huis eruit en zaten mijn ouders in de kelder.”
Vijf lange dagen is het kelder in, kelder uit. De koeien moeten worden gemolken, de varkens gevoerd, het eten gekookt. Weer gaat het leven, zo goed en zo kwaad als mogelijk, zijn gang.
Totdat er nieuwe Duitse soldaten komen, elf man sterk. „Het hoofd was een achttienjarige jongen van de Hitlerjugend die was opgevoed met de gedachte ‘Wij winnen’. ’s Avonds laat, op 27 maart, werd ons huis in brand geschoten. Wij wilden de kelder uit, maar die jonge Duitser liet ons er niet door. Uiteindelijk zijn we er toch uitgekomen. Ik was de laatste, ik zag hoe een goeie soldaat de koeien uit het brandende huis joeg. De varkens zijn verbrand, daar viel niets aan te redden.” Het gezin vlucht naar een schuilkelder die Marietjes vader zoals veel van zijn buurtgenoten op het erf in de grond heeft gegraven. De Duitsers vertrekken, de koeien komen terug, vol met granaatscherven. „Eén koe hebben we moeten afmaken. Mijn moeder heeft het vlees van die koe gezouten. De volgende ochtend kwamen de Tommy’s langs en waren we bevrijd. Nou ja, bevrijd... We kwamen de schuilkelder uit en konden het kippenhok in. We hadden alleen nog de kleren die we aan hadden.”
Weckflessen vol vlees, fruit en groente die Marietjes ouders in de oorlog met vooruitziende blik in de grond hebben gestopt, worden opgegraven. „Dat konden we nog gebruiken. Alleen die koe smaakte op het laatst niet zo lekker meer.”
Stenen worden afgebikt, noodwoningen gebouwd. „En de koningin kwam naar Megchelen. Maar verder ging het leven gewoon door, wat moet je anders.” Marietje blikt nog even terug op de oorlog. „Je was een tiener, je vond het allemaal niet zo erg. Maar je moeder zat te huilen.”
Ook de ouders van Dora Aalbers-Renting (84) uit Gaanderen hebben in die tijd een boerderijtje in Megchelen, maar Dora is in de oorlog in betrekking op een boerderij in buurtschap De Milt, bij Gendringen. Net als Marietje komt Dora vrij onbekommerd de oorlogsjaren door. De naderende bevrijding zet het leven echter op de kop.
„Megchelen heeft ontzettend geleden. Alles is verbrand, inclusief het huis van mijn ouders. Ook op De Milt gingen boerderijen in vlammen op. Alleen de boerderij waar ik werkte niet. We zaten in de kelder: de boer, de boerin, de zoon, het knechtje en ik, de dienstbode. Vrijdagmiddag begon het schieten, tot ’s avonds hebben we in de kelder gezeten. De week ervoor was er ook al iedere keer granaatvuur. Alle mensen hadden buiten in de tuin een schuilkelder gemaakt.”
De bevrijders zijn er...
Honger heeft ze niet geleden. „Een boer heeft altijd wat te eten. Er werd ook veel geruild. Toen ik belijdenis deed, heb ik in de Heezenstraat in Doetinchem schoenen gekregen in ruil voor spek.”
Het ergste voor Dora is niet het granaatvuur in de Achterhoek, maar het bombardement op Emmerik. Het maakt een enorme indruk. „Emmerik lag een eindje weg, maar pakjes pudding, foto’s, alles vloog door de lucht. Het was verschrikkelijk.”
In Megchelen is zoveel kapot en verbrand, dat dit dorp de bevrijdingsfeesten maar overslaat. „Er waren wel optochten in andere dorpen. Elke buurt maakte een voorstelling, vaak op een wagen. De mooiste kreeg een prijs.”
Dora laat een foto zien van de allegorische optocht in Gendringen, waar de bewoners van De Milt aan meededen met een voorstelling van de bruiloft van Adolf Hitler en Eva Braun.
Bruidegom en bruid poseren samen met hun gevolg voor de camera. „De bruid, dat ben ik”, zegt Dora trots. Ze weet nog precies dat haar groep op die feestelijke meidag 65 jaar geleden de tweede prijs won. „Maar hoe ik aan die mooie kleren en witte schoenen ben gekomen? Dàt weet ik niet meer.’’




