Vrouwen in de frontlinie

Tussen september 1944 en het vroege voorjaar van 1945 vallen elke dag wel een paar bommen op Nijmegen. Ook de beschietingen door langeafstandswapens uit Duits gebied gaan gewoon door. De ‘granatentijd’ noemen mensen deze periode. Daarom worden delen van Nijmegen geëvacueerd. De rest van de burgerbevolking leeft ter plekke door, zo goed en zo kwaad als het gaat. Mensen leren de geluiden van overvliegend schiettuig kennen en leven met de continue angst voor een gewelddadige dood. Als er een kelder aanwezig is, slapen ze daar. Maar wiens huis  kapotgeschoten is of beschadigd door de vernielzucht van zich terugtrekkende Duitsers, moet z’n heil ergens anders zoeken. Bij familie of kennissen, of in de bunkers van kazernes, de kelders van kloosters of andere grote panden. Mensen worden eigenlijk een beetje vluchteling in eigen land, zelfs in eigen stad.

Als de geallieerden zich beginnen voor te bereiden op Operation Veritable om het Rijnland te bezetten, komen er tienduizenden soldaten bij in Nijmegen en verre omtrek. Ze worden ingekwartierd bij de bevolking thuis, in scholen of andere panden. Mede daardoor kunnen kinderen niet of nauwelijks meer naar school.

Het is een vreemde tijd waarin het oorlogsgeweld niet alleen direct slachtoffers eist maar ook indirect voor tragiek zorgt. Zo vallen er veel slachtoffers in het verkeer: jeeps, tanks en vrachtwagens jakkeren af en aan om soldaten en goederen te vervoeren. En heel wat kinderen verongelukken door het spelen met munitie. Spelen op puinhopen, zelfs wandelen in het bos, is levensgevaarlijk.

Niet alleen de oorlog, ook de puinhopen van de strijd maken talloze slachtoffers.


Bevrijd, maar wel onder vuur

 

Wamel ligt vanaf september 1944 tot de bevrijding in mei 1945 in de vuurlinie tussen de Duitsers ten noorden van de Waal en het verzet, Engelsen en Canadezen in het al bevrijde zuiden van Nederland. Dat leidt to veel slachtoffers. Zo pakken Duitse soldaten op 20 september 1944 in Wamel bij een razzia veertien mannen op. Ze worden dezelfde avond gefusilleerd bij de stadswal in Tiel.

 

door Francien van Zetten

 

Als inwoners van Wamel in de namiddag van 20 september 1944 zien dat vanuit Tiel een pont vol Duitse soldaten koers zet naar de overkant van de rivier, wordt alarm geslagen. Samen met haar vader, moeder, zus Dien (13), broertje Nico (10), familie en andere dorpsgenoten neemt Jo van Weerdenburg haar toevlucht in de kelder onder het ouderlijk huis. Jo is dan vijftien jaar. Aangekomen in Wamel, schieten de Duitsers enkele boerderijen in brand en ze kammen het dorp uit.

Jo van Weerdenburg Jo van Weerdenburg

 

„We hoorden de Duitsers eerst lopen in de keuken boven ons. Even later stonden ze in de deuropening van de kelder en commandeerden dat de mannen mee moesten komen”, herinnert Jo van Weerdenburg (80) zich. Ze zit aan tafel in haar woonkamer omringd door plakboeken en fotoalbums met herinneringen aan de oorlogsjaren. „Kerels als bomen waren het, mijn vader en de anderen. Ze zijn rustig meegegaan. Dat hadden ze afgesproken. De Duitsers hadden al eens eerder mannen opgepakt in het dorp. Toen er eentje de benen nam, werd hij meteen doodgeschoten. Dat wilden ze niet, ze vertrouwden erop dat de Duitsers onschuldige burgers zouden laten gaan.”

De Duitsers pakken de zestien mannen waarschijnlijk op als reactie op een incident eerder die dag, waarbij Duitsers in Wamel zijn beschoten of omdat vanuit Wamel op Duitsers in Tiel is geschoten. De precieze aanleiding is tot op de dag van vandaag niet duidelijk. Twee mannen, die richting Dreumel wonen, laten de Duitsers gaan. De veertien Wamelnaren moeten mee naar Tiel waar ze dezelfde avond bij de coupure (doorgang) in de stadswal worden gefusilleerd. Onder hen niet alleen de vader van Jo van Weerdenburg, Jan van der Wielen (47), maar ook haar ooms Niek (43), Karel (41) en Huub (31) van Echteld, de broers van haar moeder en nog tien andere dorpsgenoten.

Als de Duitsers uit Wamel zijn vertrokken, vlucht Jo van Weerdenburg met haar moeder, zus en broertje in paniek naar buurdorp Beneden-Leeuwen. Enkele dagen later gaan ze naar Maasbommel, zuidwaarts, wat verder van het strijdtoneel. De onzekerheid over het lot van haar vader en de andere mannen is de eerste dagen groot. Woensdags zijn de mannen opgepakt. Zondags krijgt Jo’s moeder een brief van de pastoor in Maasbommel waar in staat dat de mannen zijn doodgeschoten.

 

Verwoestingen in Tiel. Verwoestingen in Tiel.

 

Na ongeveer een week keert Jo van Weerdenburg met haar moeder, broer en zus terug naar Wamel. „Mijn vader was een kleine boer met wat koeien, varkens en wat kippen. De koeien stonden nog in het land en moesten op stal.”

Net als de andere inwoners van Wamel leeft Jo van Weerdenburg de zeven maanden die volgen in de vuurlinie. De Duitsers bestoken het dorp vanuit Tiel net zo lang met mortieren en geweervuur tot de kerktoren in november 1944 instort. Ook veel huizen en boerderijen lopen schade op. De stoottroepen en later de Engelse en Canadese soldaten schieten terug van achter de dijk.

Er vallen die winter ook twee V1-bommen op een schuur en een huis in het dorp, waarbij de bewoners het leven laten. Het zijn angstige tijden. „Je hebt geen keus”, zegt Jo van Weerdenburg. „Er werd vaak geschoten. Als we dan de kelder ingingen, zei mijn opoe: laat mij maar het laatst gaan.”

Dien Kruisbergen (97) en haar man Niek wonen in die tijd met hun pas geboren zoontje Willy ook achter de dijk in Wamel. Vlak bij commandopost 8 van de Nederlandse stoottroepen. „Bij ons hebben die zeven maanden soldaten ingekwartierd gezeten. Van de 8e Margriet Compagnie en Canadezen van het 17th Duke of York-regiment. Dan waren het acht, dan weer tien. Het waren echt lieve jongens, allemaal”, vertelt Dien Kruisbergen. Eén van de soldaten, Dolf Coenders, sterft in het huis van de familie Kruisbergen. „Hij werd op een ladder, die dienst deed als brancard, binnengebracht. Een granaatscherf was dwars door zijn helm in zijn hoofd terecht gekomen. Zijn hersens kwamen door het gat naar buiten. De dokter kwam en zei: ik kan niets voor hem doen. Dominee Pennings heeft nog uren naast zijn bed gezeten tot hij overleed. Hij was negentien jaar en is begraven op het militaire kerkhof in Beneden-Leeuwen.”

 

Dien Kruisbergen woont nu in Huize Henricus, het verzorgingshuis in Wamel. „Het was een gevaarlijke tijd, maar dat realiseer je je pas later.” Ze schudt haar hoofd als ze terugdenkt aan die laatste oorlogswinter. „Mijn man was slager en ging in de oorlog overal slachten. Clandestien. Als er ergens koeien waren doodgeschoten, ging hij er heen. Van dat vlees kookte ik soep of ik maakte ballen gehakt voor de soldaten. Heerlijk vonden ze dat, want het was een barre winter.”

Het vlees wordt overal in het dorp bezorgd. Als jonge moeder doet Dien Kruisbergen dat vaak met de kinderwagen. „Verschrikkelijk”, zegt ze. „Als ik er aan denk, word ik er nog naar van. Zo gevaarlijk. Hoe heb ik het kunnen doen.”

Haar goede zorgen voor de militairen leveren Dien Kruisbergen de bijnaam ‘soldatenmoeder’ op. Eén van de stoottroepers, Ronald Tim, is haar, tot zijn dood enkele jaren geleden, nog elk jaar een bos bloemen komen brengen. „Tim was een waaghals. Die zwom ’s nachts de Waal over om te kijken hoe het er aan de overkant aan toe ging.”

 

Nijmegen frontstad: kinderen spelen voor schuilkelders op wat nu het Limosterrein heet. Nijmegen frontstad: kinderen spelen voor schuilkelders op wat nu het Limosterrein heet.

 

Van de eerste oorlogsjaren hebben ze in het Land van Maas en Waal niet veel gemerkt, constateert Dien Kruisbergen. Dat verandert begin september 1944. In plaats van de bevrijding, die werd verwacht, barst de oorlog die laatste zeven maanden in alle hevigheid los.

Vooruit geschoven posten van de Engelsen schieten in februari 1945 vanuit Wamel de Tielse binnenstad in brand. Jo van Weerdenburg weet het nog precies: „Met de wind waaiden de verschroeide nota’s van de getroffen bedrijven over de rivier en dwarrelden hier in het dorp neer. Zo zagen we welke bedrijven waren geraakt.”

Ze heeft afstand genomen van de verschrikkelijke gebeurtenissen in haar jeugd. Over het verlies van haar vader en ooms wordt lang niet gesproken. „Het was gebeurd. We moesten verder.”

Jo van Weerdenburg verwijt niemand meer iets. Ook de Duitsers niet die haar vader en ooms meenamen en dood schoten. „Ik wil niet weten wie het heeft gedaan. Iedereen was jong. De oorlog overkwam je.”


A A A
dinsdag 20 april 2010 | 17:11 | Laatst bijgewerkt op: donderdag 30 december 2010 | 10:59
|