Het drama van Woeste Hoeve (6-3-'45)
Honderdzeventien dode mannen liggen op 8 maart 1945 langs de weg van Apeldoorn naar Arnhem, bij herberg De Woeste Hoeve. Voorbijgangers worden gedwongen erlangs te lopen, onder wie mevrouw Ledder-Brouwer uit Velp, die in Apeldoorn was geëvacueerd. „Ik moest langs de slachtoffers lopen en blijven kijken. Ik was doodsbang dat ik familieleden uit Groenendaal zou zien liggen. Na drie keer mocht ik verder. Ik kwam toen langs de auto van Rauter, die er nog stond. De auto was doorzeefd met kogels.”
De wraakactie die hier plaats heeft, is het gevolg van een aanslag die het Apeldoornse verzet hier twee dagen eerder heeft gepleegd. Per ongeluk is daarbij de hoogste Duitse politiegeneraal in Nederland, Hans Rauter, zwaargewond geraakt. Toeval, omdat hij niet het doel is van de aanslag. De bedoeling is om een vrachtwagen van de Wehrmacht buit te maken om er drieduizend kilo vlees mee af te halen bij een slachterij in Epe, vóórdat de Duitsers dat doen. Omdat de verzetsmensen in de berm verstopt zitten, moeten ze afgaan op het geluid dat ze horen en overvallen ze in plaats van een vrachtwagen een open BMW met Duitse hoge pieten. Twee inzittenden komen om het leven.
De Duitsers laten de aanslag niet op zich zitten. Ze fusilleren 146 gevangenen in Amsterdam, op de Waalsdorper vlakte en bij Kamp Amersfoort. Bij Woeste Hoeve worden 117 mannen doodgeschoten, veelal verzetsmensen en onderduikers uit gevangenissen in Apeldoorn en Doetinchem. De jongste is zeventien, de oudste 75 jaar. Zestig van hen laten een gezin na. 157 kinderen verliezen hun vader.
Rauter, die de aanslag overleeft, wordt na de oorlog ter dood veroordeeld. Het vonnis wordt op 25 maart 1949 voltrokken in de Scheveningse duinen.
‘De pijn wordt steeds schrijnender’
Annemarie Donk-du Bois heeft het de Duitsers nooit vergeven. Het feit dat ze op 8 maart 1945 bij Woeste Hoeve haar lievelingsbroer Bram hebben vermoord: hij is één van de 117 slachtoffers die hier wordt gefusilleerd bij wijze van represaille. Alles met betrekking tot Duitsland beziet ze met argwaan. „Ik heb nooit meer naar of door dat land willen reizen.”
door Dorine Steenbergen
Hartverscheurende taferelen die ochtend van de 8e maart 1945 bij herberg Woeste Hoeve, halverwege de weg tussen Arnhem en Apeldoorn. Het is een komen en gaan van bussen en vrachtwagens. Gevangenen van alle leeftijden die met parachutekoorden aan elkaar zijn gebonden. Bij Woeste Hoeve worden ze in groepen van telkens een man of twintig voorgeleid aan een Duits vuurpeloton. Daar krijgen de ontredderde mannen de volgende boodschap te horen: ‘Hier op deze plaats werd gisteren een aanslag gepleegd op een Wehrmachtofficier. Als represaille worden verscheidene honderden personen doodgeschoten. Daar behoort ook u toe.’
Annemarie Donk-du Bois, niet vergeten, niet vergeven.
Een van die ‘Todeskandidaten’, zoals deze gevangenen worden genoemd, is een bleke jongeman die zich moeizaam voortbeweegt op een kruk. Zijn enkel is gebroken. Die ochtend is hij opgehaald in gevangenis de Kruisberg in Doetinchem. Het is de 29-jarige Bram du Bois, in het verzet beter bekend als Martien. Bij zijn arrestatie is hij door zijn enkel geschoten. Om hem tot een bekentenis te dwingen hebben ze die enkel de voorbije maanden in de Kruisberg keer op keer opnieuw gebroken.
Bram komt uit Heiloo waar zijn vader, moeder, jongere broer Jan en zusje Annemarie op dat moment geen weet hebben van zijn lot. Annemarie is inmiddels 86 jaar oud. Er zijn vele jaren verstreken die het leed om het gruwelijke lot van haar lievelingsbroer niet hebben kunnen verzachten. „De pijn wordt steeds schrijnender”, vertelt ze in haar woning in Dordrecht waar ze het leven deelt met twee Perzische poezen. Sinds 22 jaar is ze weduwe, kinderen heeft ze niet en jongste broer Jan is vier jaar geleden overleden. „Ik ben nu de enige die nog over is. Ik had het verdriet om Bram natuurlijk allang een plaatsje moeten geven. Maar dat lukt me niet.” Alles met betrekking tot Duitsland beziet ze met argwaan. „Ik heb nooit meer naar of door dat land willen reizen.”
Met zorg beheert ze het familiearchief: foto-albums, logboeken, documenten, vergeelde brieven. En natuurlijk Brams dagboek, zijn in Canada aangeschafte Every day diary waar hij vanaf 1 januari 1941 in schreef. Een jaar eerder, op 30 april 1940 – „De verjaardag van Juultje” – heeft Annemarie haar grote broer voor het laatst gezien. „Hij studeerde rechten, maar bij de mobilisatie moest hij het leger in. Pas op zaterdag 27 april mocht hij met verlof. De 30e moest hij weer terug zijn in de kazerne in de Peel. We wuifden hem uit in de voortuin. Het was een voorjaarsachtige dag.”
In de oorlogsjaren die volgen, krijgt de familie Du Bois mondjesmaat nieuws over Bram. Onder andere via (gecensureerde) Rode Kruisbrieven. Bram heeft, zo begrijpen ze, met manschappen en materieel het Franse Brest bereikt en is daar vandaan overgestoken naar Engeland. Daar volgt hij een parachutistenopleiding. In Londen worden Bram en de zijnen ontvangen door koningin Wilhelmina en door prins Bernhard. De laatste oppert tegenover Bram dat hij in Canada behulpzaam kan zijn bij de formatie van de latere Prinses Irenebrigade. „Hij raakte daar bevriend met prinses Juliana”, aldus Annemarie. „Jaren later, na Brams dood, zouden wij Wilhelmina, Juliana en Bernhard ontmoeten.”
Terug in Engeland wordt Bram opgeleid tot geheim agent. Zijn eerste dropping is op 17 september 1944 bij Son. Hij moet voorbereidend werk doen ten behoeve van Operatie Market Garden. Enkele dagen later wordt hij gevangen genomen maar weet te ontsnappen en keert terug naar Engeland. Annemarie: „Daar kreeg hij van koningin Wilhelmina het Bronzen Kruis voor moedig optreden.” Zijn zus kan de medaille niet tonen. Die maakt inmiddels deel uit van de collectie van het Prinses Irenebrigademuseum.
Op 18 oktober 1944 wordt Bram opnieuw gedropt, nu nabij Garderen. Hier moet hij de achtergebleven parachutisten van de Britse Luchtlandingsdivisie bijeen brengen. Hij verblijft op een boerderij in Ede. Zijn opdracht mislukt maar hij zet zijn verzetsactiviteiten voort. Als de SD een inval doet, wordt hij op de vlucht neergeschoten, gevangen genomen en uiteindelijk naar de Kruisberg gebracht. Als ‘Todeskandidat’ wordt hij daar op 8 maart opgehaald. Diezelfde dag sterft hij bij Woeste Hoeve voor het vuurpeloton.
Twee maanden later is Nederland bevrijd. Voor de familie Du Bois begint dan het lange wachten op Bram. Annemarie: „In de bloempotten voor het raam had ik stokjes gestoken met vlaggetjes in rood, wit, blauw. Zo wilde ik Bram welkom heten. Maar er kwam niemand.” Uiteindelijk krijgen ze via via het bericht dat Bram een van de slachtoffers is van Woeste Hoeve. „Ze lagen begraven in Apeldoorn. Ze hadden een nummer en in een zakje werd iets specifieks bewaard. Broer Jan is erheen gegaan. Er was een zakje met Brams bril. Toen wisten we het.”
Herdenking van de slachtoffers van de Woeste Hoeve.
Vader en moeder Du Bois zijn het verlies nooit te boven gekomen. En ook voor Annemarie is het gat nooit opgevuld. Met Jans zoon Bram, genoemd naar z’n oom, heeft ze een warme band. De herdenking vorig jaar in Ede, waar Bram is bijgezet in het mausoleum, heeft ze samen met haar neef bijgewoond. Want na jaren te hebben geijverd voor een herbegrafenis van Bram op de erebegraafplaats in Loenen, heeft ze zich erbij neergelegd dat het mausoleum in Ede zijn laatste rustplaats blijft.




