Het Rijnlandoffensief
Vrouwen en Rijnland
De bedoeling van het Niederrheinoffensief in februari 1945 is dat de Engelsen en Canadezen dwars door het Reichswald trekken, waarna de Amerikanen bij Gennep Duitsland binnenvallen. Uiteindelijk doel is de bezetting van het Duitse stuk land tussen Maas en Rijn. Daarna moeten de geallieerden dan de Rijn oversteken. Maar dat gaat allemaal moeilijker dan verwacht, want de Duitsers hebben het gebied rond de Roer onder water gezet, en in het Reichswald komt het materieel vast te zitten in de modder.
De Duitsers bieden in het begin nog hevig verzet. Van boerderij tot boerderij vechten geallieerden en Duitsers tegen elkaar. Goch en Kleef worden gebombardeerd en met de grond gelijk gemaakt.
Wat de Duitsers in Arnhem hadden gedaan, doen ze ook hier als de geallieerden dichterbij komen: burgers moeten evacueren. Wie dat niet doet, wordt naderhand door de geallieerden geëvacueerd. Want zij willen de handen vrij hebben voor het gevecht tussen Maas en Rijn zonder bang te hoeven zijn voor burgerverzet. Alles wat er nog aan Duitsers over is – burgers, krijgsgevangenen en dwangarbeiders door elkaar – wordt daarom samengedreven in kampen zoals Rheinberg en Bedburg-Hau. Tienduizenden mensen zitten daar vast vanaf maart. Meestal in het open veld, en met bitter weinig voedsel. Als ze weer terug mogen, ligt alles in puin. Ze bivakkeren in kelders en kapotgeschoten huizen. Wegen zijn slecht begaanbaar, het land bezaaid met mijnen en oorlogsschroot, de oogst vertrapt en het vee dood. Veel Duitsers voelen zich diep ongelukkig omdat het Derde Rijk waar ze zo in geloofd hadden tot gruis is vermalen. Andere Duitsers zijn ongelukkig omdat ze zich van het regime afzijdig hebben gehouden, maar door de geallieerden als nazi’s worden behandeld.
‘Onder Hitler ging alles onder dwang’
Anni Hendricks bezoekt jarenlang de ‘Bund Deutscher Mädel’, de meisjesafdeling van de Hitlerjugend. De verplichte sessies maken op haar weinig indruk. Maar de bommen die Kleef verwoesten en de Britten die haar uit huis halen en naar interneringskamp Bedburg-Hau sturen, staan op haar netvlies gebrand. ‘Velen denken dat Duitsers per definitie fout waren, wij deden geen vlieg kwaad.’
door Francine Wildenborg
De vlag met hakenkruis hijsen, dan de Hitlergroet brengen en vervolgens liederen zingen, actualiteiten bespreken of gedichten voordragen. Week in, week uit bezocht Anni Hendricks uit Materborn (bij Kleef) de bijeenkomsten van de Hitlerjugend voor meisjes. Van haar tiende tot veertiende bij de zogeheten Jungmädel, daarna bij de Bund Deutscher Mädel (BDM).
Anni Hendricks
Of ze daarmee het nationaal-socialistische regime steunde? Nee, integendeel. „Het was verplicht, je moest erheen”, benadrukt Anni als ze het heeft over de Bund. „Alles ging in die tijd onder dwang. Als je niet kwam opdagen, viel dat op en bracht je jezelf en je familie in gevaar.”
Anni is een van de zes kinderen uit een katholiek gezin in Materborn. Thuis wordt vaak kritisch over het nationaal-socialisme gesproken. Haar vader, een gelovig man, is het helemaal niet eens met de nieuwe machthebbers, die het geloof marginaliseren. „Je mocht van de nazi’s maar één geloof hebben: dat in het regime en in niets anders. Mijn ‘papi’ hekelde dat, maar hij was altijd heel duidelijk: over wat thuis werd besproken, mocht ik nooit en te nimmer praten bij de BDM. Overal konden spionnen zitten. De Gestapo hield alles heel goed in de gaten.”
Hoewel Anni en haar zussen trouw naar de bijeenkomsten gaan, vinden ze er weinig aan. Het uniform met witte blouse, blauwe rok en zwarte halsdoek herinnert de 82-jarige zich goed. Nog beter herinnert ze zich haar vaders reactie als de Bund haar één jaar oudere zus tot ‘Gruppenführerin’ wil benoemen. „Die kregen een kort bruin jack aan. Mijn vader wilde onder geen beding dat zij dat ‘apenvel’, zoals hij het noemde, zou dragen. Het leek te veel op het uniform van de SA, de Sturmabteilung, ook wel de Bruinhemden genoemd.” Haar zus weigert. Dat wordt geaccepteerd, al vinden anderen het een eer om tot groepsleidster gepromoveerd te worden.
Vanaf haar tiende gaat Anni elke woensdagmiddag in Materborn naar de Jungmädel. „Het duurde meestal één tot twee uur en vond plaats in een klaslokaal. Bijzonder was het niet, ik zat er met dezelfde meisjes als die ik op school zag. Ik kon goed leren, dat vonden de anderen vervelend en dus trok ik liever niet met die klasgenootjes op.” Ondertussen heeft ze dondersgoed door dat het regime steeds verder in de samenleving doordringt: „Op school moesten de leraren een partij-embleem met hakenkruis dragen. Mijn docente deed dat eerst aan de binnenkant van haar jasje, later moest ze het zichtbaar dragen.”
Als Anni veertien wordt begint haar ‘Pflichtjahr’, een jaar verplichte arbeid, een deugd die alle vrouwen bijgebracht moet worden volgens het nationaal-socialisme.
Ze komt terecht bij een kwekerij in Kleef met bloemen en planten voor op kerkhoven – de oorlog is begonnen, het is 1941. „Het was een heel aardige familie, waar ik nu nog contact mee heb. Het werk beviel me, omdat ik vaak bloemen mocht verkopen.” Na het verplichte arbeidsjaar werkt ze bij een modehuis, vlakbij het ziekenhuis in Kleef. „Bij een hele lieve familie.”
Anni vindt dat ze geluk heeft gehad. „Mijn zus moest bij de boer werken. Heel zwaar werk.”
Elke maandagavond moet ze nu naar de BDM. Veel liever gaat de veertienjarige echter naar avonden voor de katholieke jeugd in Kleef, die ook op maandagavond plaatsvinden. De ontmoetingen bij kapelaan Ferdinand Stegeman zijn voor haar heel belangrijk. „Daar was je met gelijkgestemden. Bovendien kon je vrij je mening uiten, dat kon je bij de BDM wel vergeten. Daar moest je alleen maar aanwezig zijn. Soms hadden we sportwedstrijden, dat was nog wel leuk. Maar voor de rest was het totaal oninteressant, saai en langdradig.” Zodoende slaat ze geregeld een BDM-bijeenkomst over, maar nooit te vaak: „Als je twee keer achter elkaar niet kwam, kreeg je straf. Ik weet niet wat er dan gebeurde, gelukkig heb ik het nooit hoeven meemaken.”
Ideologisch staat Anni, en met haar zovele jonge meiden, mijlenver verwijderd van het regime van Hitler. „Mensen denken dat Duitsers per definitie fout waren, en dat wij graag naar de BDM gingen. Maar dat is een leugen. Je ging omdat je moest, om problemen te voorkomen. We deden geen vlieg kwaad, we hadden andere problemen aan ons hoofd: om genoeg eten te krijgen, om te overleven toen de geallieerden dichterbij kwamen.”
Na het eerste bombardement van Kleef in september 1944, is het voorbij met de BDM-bijeenkomsten. Er komt iets veel ergers voor in de plaats als de frontlinie steeds dichterbij komt. „De bommen, de angst. Alles ging kapot. Kleef werd totaal verwoest door het bombardement op 7 oktober 1944. Mijn veertienjarige broertje was op weg naar huis van zijn werk, hij werd door Engelse bommen geraakt en overleefde het niet. Het was een ravage.”
In februari marcheren de geallieerde troepen de regio binnen. „Britse soldaten haalden ons uit onze schuilkelder.” Ze mogen niets meenemen, zelfs geen kleding of voedsel, en worden naar de kliniek in Bedburg-Hau gebracht. In deze instelling voor geestelijk gehandicapten worden tijdens de oorlog door de nazi’s patiënten gesteriliseerd en daarvandaan afgevoerd naar andere instellingen waar ze vervolgens worden vermoord. In 1945 gebruiken de Engelsen de kliniek echter als interneringskamp, waar duizenden gevangen genomen Duitsers verblijven onder zeer barre omstandigheden: er is nauwelijks eten, geen slaapruimte, geen wasgelegenheid, er breekt tyfus uit en er vallen talloze doden. Anni: „Met 42 mensen lagen we in één ruimte op de grond, ik had alleen mijn jas om me toe te dekken. Acht weken lang. De nachten in februari waren heel koud. Mensen stierven aan de lopende band, ouderen en zwakkeren gingen als eersten. Die zag je ’s ochtends liggen, met een laken over hen heen. Ze werden in massagraven gelegd.” Als Anni Hendricks nu nog terugdenkt aan de oorlog, dan denkt ze niet aan de saaie bijeenkomsten op woensdagmiddag en later maandagavond van de ‘Bund Deutscher Mädel’. Nee, dan denkt ze aan de laatste jaren van de oorlog, de ellende waarin haar familie moest zien te overleven.
Anni en haar familie worden wonder boven wonder niet ziek. Op Goede Vrijdag 1945 kunnen ze Bedburg-Hau verlaten en terugkeren naar Materborn. Anni duwt de kar met hun bezittingen naar huis, haar vader is er te zwak voor. „Ons huis was leeg, onze voorraden opgegeten door de Britse soldaten. Alles was anders, alles was kapot.”




