Vermaak in oorlogstijd
Amusement was in de jaren dertig en veertig een bloeiende sector. De Duitse bezetter stimuleerde die behoefte en stak veel geld in de Nederlandse kunstwereld, vooral voor salarisverbetering van muzikanten, om zo de Nederlandse harten te winnen. Tegelijkertijd probeerden de Duitsers greep op artistiek leven in Nederland te krijgen, om via die weg de Duitse invloed te vergroten.
Vanaf april 1942 waren musici, dansers, filmers, acteurs, beeldend kunstenaars, schrijvers en journalisten verplicht zich aan te melden bij de Kultuurkamer – een overkoepelend gilde. Wie daar geen lid van was, mocht niet werken. Uiteraard mochten Joden geen lid worden. Weinig artiesten waren principieel en weigerden lidmaatschap. Ze konden het zich niet veroorloven. En er was werk genoeg. Voor de meeste artiesten in het lichte genre lag de grens bij het publiek: optreden voor Duitsers of NSB’ers deed je niet, maar voor landgenoten wel. Juist wel!
Kunstenaars pleegden op hun eigen manier verzet. Dansorkesten bleven gewoon jazz en swing spelen, al hadden de Duitsers verboden dat Amerikaanse, Engelse, Joodse en Russische kunst werd uitgevoerd. Bekende nummers werden een tikkie anders georkestreerd en kregen andere titels: ‘Basin Street Blues’ werd ‘Ebriloque’. En dansorkest The Moochers heette opeens De Moetschers. Afkeer van alles wat Duits was, maakte de Engelse cultuur populairder.
En muziek bracht hoop. Liedjes tilden de mensen uit boven de narigheid en zorg van alledag. ‘Eens zal de Betuwe in bloei weer staan’ en ‘Als op het Leidscheplein de lichtjes weer eens branden gaan’ brachten onder woorden wat mensen voelden, en gaven een gevoel van saamhorigheid. Ironisch was wel dat ‘Leidscheplein’ geschreven was door Jacques van Tol – die tegelijkertijd muziek en anti-semitische teksten schreef voor Duitsgezind cabaret.




