Vrouwen en onderduik
Duizenden Nederlanders die niet voor de Duitsers willen werken of die aan de vervolging proberen te ontkomen, zoeken een goed onderduikadres. Geld en connecties zijn daarvoor onontbeerlijk. Vrouwen met grote gezinnen of baby’s hebben het extra moeilijk. En verraad loert overal.
Door Lori Schulpen
Dina van Gelder en haar dochtertje René zitten twee jaar lang ondergedoken bij de familie Rougoor in Varsseveld. Het joodse slagersgezin uit Aalten slaagt erin een schuilplaats te vinden, al betekent dat wel dat vader Arnold van moeder en dochter gescheiden wordt. In augustus 1944 worden Dina en René verraden, maar dankzij heldhaftig optreden van de familie Rougoor worden ze niet gevonden. Op een ander adres, in Westendorp, beleven ze in maart 1945 de bevrijding.
Van de 140.000 joden die in 1940 in Nederland wonen, duiken er zo’n 27.000 onder. Van hen overleven er tussen de 10.000 en de 15.000 de oorlog.
Als de deportaties naar het oosten in 1942 beginnen, is het begrip onderduiken nog niet ingeburgerd en hebben weinig verzetsgroepen zich al georganiseerd. Uit plaatsgebrek en veiligheidsoverwegingen worden gezinnen meestal gescheiden, waardoor ouders voor de hartverscheurende keus staan of ze hun kind met wildvreemden willen meegeven. Het is gemakkelijker om kinderen te verbergen omdat ze nogal eens voor een neefje of nichtje uit het westen van het land kunnen doorgaan.
Volgens schattingen zitten in Nederland 300.000 mensen ondergedoken tijdens de oorlog. Behalve joden zijn dat verzetsmensen, neergeschoten piloten of studenten die zich niet loyaal verklaren aan de bezetter. De meeste onderduikers zijn mannen die niet voor de Arbeitseinsatz naar Duitsland willen. Het vinden van een schuilplaats is extra lastig in het kleine en dichtbevolkte Nederland. Onderduikers in andere landen hebben schuilplaatsen in de bergen, maar Nederlanders zijn aangewezen op hulp van particulieren met een groot huis of een boerderij of op mensen die het aandurven onderduikers in een stadskamertje onder te brengen.




