Vrouwen en de hongerwinter

De spoorwegstaking, de bezetter en de strenge vorst zorgen ervoor dat er in de winter van 1945 in het westen van Nederland bijna geen voedsel meer voorhanden is. Omdat mannen het gevaar lopen om opgepakt te worden voor de Arbeitseinsatz zijn het vooral vrouwen en kinderen die op voedselstrooptocht gaan naar het platteland.

 

De hongerwinter: kinderen op zoek naar etensresten bij de Centrale Keuken in Den Haag. De hongerwinter: kinderen op zoek naar etensresten bij de Centrale Keuken in Den Haag.

 

 ‘Boer, kunt u me helpen aan een wiel?”, vragen twee Haagse vrouwen in december 1944 aan een Puttense boer. Die heeft hetzelfde verzoek al drie keer eerder gekregen, maar toch diept hij uit zijn schuur nóg een wiel op, zodat de vrouwen met hun karretje vol aardappelen weer verder kunnen. Het is druk in Putten met mensen die op zoek zijn naar alles wat eetbaar is, zo noteert een verslaggever van De Telegraaf, die erbij is.

Sinds het mislukken van operatie Market Garden in september dat jaar is het met de voedselvoorziening in het westen van het land beroerd gesteld. Vanuit Londen heeft de Nederlandse regering in ballingschap een spoorwegstaking afgekondigd om zo de aanvoer van Duits materieel naar het front te blokkeren. Als antwoord stremmen de Duitsers de binnenvaart. Dat blijkt funest voor de voedselvoorziening van het westen. Als de scheepvaart weer op gang komt, vriest het zo hard dat de waterwegen onbevaarbaar zijn.

 

Amsterdammers op zoek naar alles wat brandbaar is, zoals de houten blokjes tussen de tramrails. Amsterdammers op zoek naar alles wat brandbaar is, zoals de houten blokjes tussen de tramrails.


Omdat de gastoevoer is afgesloten, worden leegstaande huizen, bankjes in het park en eigen huisraad gesloopt om als brandhout dienst te doen. In februari ’45 krijgen de bewoners in de grote steden nog maar 340 gram aan calorieën en moeten ze het per week doen met wat ze normaal per dag eten. Bloembollen en suikerbieten vullen het rantsoen aan. Gaarkeukens helpen de nood te lenigen. Het platteland helpt de stedelingen waar mogelijk, maar er zijn ook boeren en tuinders die exorbitante bedragen vragen voor een stuk brood of een paar aardappels. Buiten dat lopen de ‘voedseltoeristen’ op de terugweg ook nog het risico dat hun zuur verzamelde eten in beslag wordt genomen. Kort voor en na de bevrijding sterven tussen de 18.000 en 22.000 mensen aan de gevolgen van de honger.


Doorfietsen, niet omkijken


Voor de oorlog zijn het leuke uitstapjes met papa voor Truus Idskes, de fietstochten van Amsterdam naar Lichtenvoorde. In de hongerwinter fietst ze naar haar opa en oma in de Achterhoek om voedsel te halen voor het gezin in Amsterdam dat steeds minder te eten heeft. Dochter Anke Goorhuis uit Wehl vertelt over de hongertochten van haar moeder.

door Merel Dado

De hongerwinter is bij de familie Broshuis en een generatie later bij de familie Goorhuis nog altijd een heikel onderwerp aan tafel.


„Eten weggooien is er niet bij”, zegt Anke Goorhuis. „Als we knoeiden met eten werd mijn moeder hels. Ze zei ‘er zijn zoveel mensen die honger hebben’. Die gedachte heb ik ook nog wel een beetje. Er wordt netjes gegeten, niet met de handen. Op latere leeftijd werd het soms moeilijk met mijn moeder, ze bewaarde dingen te lang. Ze had kliekjes liggen die we dan stiekem weggooiden.”

 

Goed advies in barre tijden; beukenootjes rapen als alternatief voor spijsolie. Goed advies in barre tijden; beukenootjes rapen als alternatief voor spijsolie.


Anke Goorhuis (60) uit Wehl is één van de zeven kinderen van Truus Broshuis, meisjesnaam Idskes. Truus overleed in maart dit jaar op 88-jarige leeftijd. In het laatste oorlogsjaar – Truus groeit op in Amsterdam en is dan begin twintig – fietst zij een aantal keren naar de Achterhoek om eten te halen. Als eerbetoon aan haar overleden moeder wil Anke Goorhuis het verhaal van haar moeder in de oorlog graag vertellen. „Mijn moeder was een echt stadsmeisje. Ze maakte haar kleding zelf, was gek op hoedjes. Ze hield erg van uitgaan en was verzot op zingen en dansen. Echt een ondernemend dametje. Door de oorlog werd alles stopgezet, alle pleziertjes waren over.”

 Truus woont in de oorlog in Amsterdam, bij haar ouders en drie zusjes en één broertje. Ze kunnen de eindjes best aan elkaar knopen. Leuk voor Truus zijn de uitstapjes die ze met haar vader maakt naar haar opa en oma van moeders kant, die in Lichtenvoorde wonen, weet dochter Anke. „Als meisje van tien fietsen ze al samen naar de Achterhoek. Dat doen ze een paar keer in het jaar. Het is voor moeder altijd een feest om daar te zijn. Opa en oma hebben een eigen groentetuin en een koe en varkens. Ze kan daar lekker haar buikje rond eten en toen ze wat ouder was, kon ze oma helpen in de huishouding.”

Truus Broshuis Truus Broshuis


In die periode gaan de fietstochten nog op fietsen met luchtbandjes; in de oorlog zitten er houten banden op de fiets van Truus.


In de winter van ’44-’45 krijgen haar fietstochten een heel ander doel. „Haar vader, mijn opa dus, kan niet meer mee, die mag de stad niet uit. Dus gaat moeder alleen, 180 kilometer fietsen aan één stuk door, in tien tot twaalf uur. Ze kent de weg heel goed. Bovendien is ze de oudste van de kinderen, het plichtsbesef heeft zeker meegeteld. Over angst heeft ze nooit gesproken. Het is doorfietsen en niet achterom kijken. Die houding heeft ze altijd gehouden. Wanneer er verdriet was, kon mijn moeder makkelijk de knop omzetten. Ze ging nooit bij de pakken neerzitten.


Bij Truus’ opa en oma in de Achterhoek is veel meer te eten dan in Amsterdam. „In die tijd is alles op de bon, voedsel wordt schaars. Maar echt honger heeft het gezin nooit, dat is wel te zien aan de foto’s van toen. Tijdens die laatste oorlogswinter hebben ze wel bloembollen gegeten. De eerste keer dat mijn moeder naar de Achterhoek fietst, is in de winter van 1943. De familie daar heeft veel voedselbonnen, want het is een groot gezin.”


Het jongste zusje en broertje van Truus zijn ondertussen niet meer thuis maar logeren bij een gastgezin in Zeeland. „Dat zijn twee mondjes minder te voeden dat laatste jaar.” De familie in Lichtenvoorde heeft wel eens een bonnetje over. Truus maakt voor de fietstochten naar de Achterhoek speciale kleding. Jassen en broeken met veel zakken. Daar gaan met name aardappels in, groenten, gebraden vlees, spekjes, brood en meel.

 

Beeld van de schaarste: voedselbonnen. Beeld van de schaarste: voedselbonnen.


De route die Truus terugfietst, gaat langs de spoorlijn. Via Ruurlo naar Apeldoorn, Amersfoort, Hilversum en Amsterdam. „Die route kent ze op haar duimpje. Wanneer we er later eens reden met de auto zei ze altijd ‘kom, we gaan naar huis, dit heb ik wel gezien’. Het zijn natuurlijk stiekeme tochten. Over gevaar onderweg sprak ze later nauwelijks tegen ons. Wel vertelde ze ons over de keer dat ze is aangehouden. Een jongeman fietst een keer op de terugweg met haar op. Ze maken een babbeltje, het is gezellig. Net voor Amsterdam zegt hij ‘ho, en nou halt’. Het blijkt een landverrader, een NSB’er te zijn. Ze moet al het eten in de sloot gooien. De leren tassen die ze bij zich heeft, mag ze houden, dat is al heel wat. Toen is ze in tranen thuisgekomen. Haar moeder heeft alleen bloembollen voor haar om te eten. Maar die eet ze niet hoor, want ze heeft net haar buik volgegeten bij haar oma in Lichtenvoorde.”


Ondanks de teleurstelling van de vorige tocht gaat Truus weer op pad. Het zal de laatste hongertocht zijn die ze die winter maakt.


„De bruggen bij Zutphen en Deventer zijn gebombardeerd, ze kan niet terug. De rest van de oorlog is ze toen in Lichtenvoorde gebleven. Het contact met haar ouders in Amsterdam is minimaal, ze kunnen alleen brieven schrijven, denk ik, maar we hebben nooit wat gevonden.”

Op de boerderij van opa en oma leert Truus Gert Broshuis kennen. Hij komt uit de buurt van Lichtenvoorde, is opgepakt om te werken aan het spoor in Duitsland en wordt later krijgsgevangene. Hij ontsnapt en komt via Zwitserland, Frankrijk en België terug naar Nederland en de Achterhoek. „Hij is een echte plattelander, dus dat was nogal wat voor het stadsmeisje dat mijn moeder was. Maar uit de Achterhoek zijn ze nooit meer weggegaan. Dat wilde mijn vader niet, maar mijn moeder kon je geen groter plezier doen dan met een dagje Amsterdam.”



A A A
maandag 18 januari 2010 | 16:37 | Laatst bijgewerkt op: donderdag 30 december 2010 | 10:58
|
Nieuw bericht
Bedankt voor uw reactie!
Mogelijk wil de redactie met u in contact komen over dit onderwerp.
Laat hiervoor uw telefoonnummer en woonplaats achter.