Jo Baumann vergeet de geur van puin nooit
Jopie Wissing was vijftien jaar oud toen ze door het raam van het weeshuis vliegtuigen zag naderen. Ook voor haar was de Slag om Arnhem begonnen. Drie weken later zat ze in Oldemarkt in Overijssel. Geëvacueerd. Ze bleef er een jaar. Het verhaal van Jo Baumann-Wissing is het verhaal van een gewoon Arnhems meisje, geen heldin, maar iemand die veel meemaakte en wilde overleven.
Nu (in 1994, red.) is ze 65 jaar en komen de herinneringen steeds vaker terug. Jo Baumann vergeet de geur van Arnhem in puin nooit.
Een typische geur, die ze daarna nooit meer heeft geroken. Toen ze in september 1945 na een jaar evacuatie terugkeerde in haar geboortestad, hing die wat muffe geur overal. Wanneer ze terugdenkt aan die onherkenbare stad, komt die geru weer terug. 'Als ik nu in een verwoeste plaats in Bosnië zou zijn, denk ik dat ik het opnieuw zou ruiken. Maar als je de oorlog niet hebt meegemaakt, begrijp je niet waar ik het over heb.'
Symbool van de verwoesting in Arnhem: de Eusebiuskerk na de gevechten.
Jo Baumann werd in oktober 1944 geëvacueerd uit Arnhem. Ze heette toen nog Jopie Wissing, was vijftien jaar oud en woonde, met haar zusjes Grada, Riet en Wil, in het weeshuis aan het Roermondplein. Het veel rijkere weeshuis aan de Utrechtsestraat, waar ze eerst woonde, was gevorderd door de Duitsers die er de Ortskommadantur hadden gevestigd. Niet dat de vier meisjes wees waren; alleen hun vader was in 1941 overleden, hun moeder leefde nog. Maar ook kinderen van wie een van de ouders overleden was, mochten in het burgerweeshuis wonen.
Jo herinnert zich de dag des onheils, 17 september, nog als die van gisteren. Ze zat in de eetzaal. 'Met van die lange eettafels. Door een raam zag ik een vliegtuig naderen. Monsters waren het. We vluchtten naar de gang. Toen ik na het bombardement terug kwam, lag er op mijn stoel een steen. Ik schrok niet eens echt.'
De meeste ouders kwamen, toen het even rustig was, hun kinderen weghalen. De moeder van de vier zusjes kwam ook, maar nam haar dochters niet mee. Ze had zelf problemen genoeg, haar huis aan de Hoflaan was bij de bombardementen getroffen. Van de keuken van haar woning was de helft weggeslagen.
De tien tot vijftien overgebleven bewonertjes bleven die nacht in het weeshuis. De volgende ochtend werd een ondoordachte actie van een medewerker van het Rode Kruis, ingekwartierd in het weeshuis, hun bijna fataal. Hij wilde door een raampje de toestand buiten bekijken. Een Duitser zag hem en meende dat hij te maken had met een Engelsman. De Duitsers deden een inval en dreven de groep kinderen naar buiten. Daadkrachtig ingrijpen van een arts voorkwam erger.
Evacuatie Arnhem: de Geitenkamp.
Hij wist hen weg te krijgen, naar het Diaconessenhuis. Daar bleven ze een paar uur. Ze herinnert zich nog waar ze naar toe werd gestuurd. Verder zijn haar niet alle details bijgebleven. 'Toen werden we verder verspreid over de bewoners van Hoogkamp. We zijn daar een week gebleven, toen zijn we naar Angerenstein gegaan. Daar zijn we een dag gebleven en toen moesten we verder, naar Velp. We werden maar overal heen gestuurd. We wisten niet voor hoe lang. Misschien dat de ouderen meer wisten. Wij, kinderen, wisten eigenlijk niets. Alleen dat we telkens weer weg moesten.'
Na een verblijf van twee weken in Velp volgde voor de groep van vijftien kinderen de evacuatie naar Oldemarkt, een dorpje in de buurt van Steenwijk. 'Lopen was het, alles lopen. In Dieren moesten we bij een bombardement in een greppel liggen. M'n jongste zusje vroeg me: 'Jo, we gaan toch niet dood?' We zagen een boerderij op nog geen honderd meter van ons de lucht in vliegen. Maar wat het ergste was: er kwam een groep moffen bij ons liggen. Die hadden onze kar met een vlag van het Rode Kruis gezien en dachten bij ons een aardige schuilplaats te vinden.'
De ongewenste ontmoeting met de bezetter bleef zonder gevolgen. De wandeltocht ging voort. Na drie dagen kwamen de kinderen aan in Oldemarkt, waar ze verdeeld werden over de gezinnen. Ze bleven er bijna een jaar.
Jo en haar vriendin Ina te Winkel vielen wel in de smaak bij de jongens van Oldemarkt. Ze duikelden er beiden een vriendje op. Ook na de oorlog bleef het aan tussen Wieger Huisman en Jo. Maar van een huwelijk kwam het niet, want Wieger ging in 1949 naar Nederlands-Indië en sneuvelde daar. Later werd in Oldemarkt een straat naar hem vernoemd.
Jaren later trouwde Jo wel, met Ernst Baumann. De kinderen Edwin (31) en Margo (37) zijn opgegroeid met de verhalen van hun moeder. Ze vond altijd wel een aanleiding om te praten over de oorlog. En nu zitten ze er weer, aan tafel, net als vroeger. De beduimelde foto's uit de oorlogsjaren komen weer tevoorschijn, samengeperst in een vergeelde envelop die achter in een kast weggeborgen is. Foto's waarop de vijftienjarige Jo te zien is, met haar zusjes en met de kinderen van het weeshuis. En ook foto's van Oldemarkt uit de jaren veertig zijn er. 'Ik heb ze toen gekocht, het leek me aardig voor later. Ja, ik had een vooruitziende blik.'
Jo wilde ook later altijd weer terug naar Oldemarkt, naar mevrouw Groen waar ze een jaar lang woonde. Op een foto poseert ze trots voor het huis dat Wieger Huisman kort voor zijn dood met zijn vader bouwde. 'Ik ben maar twee keer in Oldemarkt geweest', zegt Margo, 'ik was al zo oud dat ik niet met mijn ouders mee wilde. Edwin moest altijd mee. Hij is er wel vaker dan tien keer geweest.'
De oorlog en de evacuatie hebben onuitwisbare indruk gemaakt op Jo. Maar om nou te zeggen dat het haar leven blijvend veranderd heeft, dat gaat haar wat te ver. Haar karakter is er niet anders door geworden en haar opvattingen over de wereld ook niet. Maar elk tv-programma, elk krantenartikel over de Tweede Wereldoorlog volgt ze. Dit voorjaar nog speelde ze als vrijwilligster met haar man Ernst een rolletje in de documentairefilm 'In de schaduw van de brug', die over de evacuatie van Arnhem gaat. 'Mijn debuut als actrice en dan in die film.'
Onderweg, met witte vlaggen.
Naarmate ze ouder wordt, komen de herinneringen steeds vaker en steeds beeldender terug. En in kleine, praktische zaken blijft de oorlog leven. De voorraadkast is altijd gevuld geweest. Niet dat ze ooit gedacht heeft dat morgen een groep Russen in de keuken zou staan, maar je kon nooit weten. 'Dat is nou echt een tic die ik aan de oorlog heb overgehouden. Ik moet er altijd voor zorgen dat ik genoeg voorraad in huis heb.'
'Als nu de winkels een week lang dicht gaan, hebben wij nog voldoende te eten, hoor', schatert Edwin. Jo: 'Ik heb veel zeep in huis. Dat was destijds amper te krijgen. Sunlight zeep heb ik nog, en zandzeep en luchtzeep. Daar wasten we ons mee. Ik heb het nog staan, in een kist, gekregen van de moeder van mijn man.'
Naast de zeep en het eten waren er voor Margo en Edwin altijd de verhalen over vroeger. Van moeder en van vader die in Dortmund in de fabriek moest werken. Margo: 'Ik werd er wel eens gek van. Zeker in de puberteit had ik helemaal geen zin voortdurend die oorlogsverhalen aan te moeten horen. Maar nu vind ik het toch wel prettig dat ze er toch altijd over verteld had.'
En ze blijkt de verhalen bijna beter te kennen dan haar moeder. 'Ach, toe, vertel dat verhaal eens van die keer dat Henk naar jullie toegekomen is.'
En moeder vertelt, zoals zo vaak tevoren. 'Henk was te werk gesteld in Oberhausen en in Bochum. Hij moest stenen bikken. De derde keer dat hij probeerde te vluchten, lukte dat ook. Mijn moeder zat op dat moment in Grijpskerk in Groningen. Hij is daarheen gevlucht. Mijn moeder wilde zo graag weten hoe het met ons ging. Hij is lopend naar ons toe gekomen. Dagen heeft hij erover gedaan. Plotseling was hij er. Ik zag hem staan, op de dijk. Henk! Een dag is hij gebleven. Normaal waren er nooit moffen, juist die dag kwamen ze door Oldemarkt. Henk hoorde ze en werd lijkbleek. Maar gelukkig liepen ze door. Lopend ging hij terug.'
'Moet je nu om komen', zegt Margo. 'We pakken overal de auto voor. Als je nu een paar daagjes gaat wandelen, krijg je een medaille opgespeld. Toen hoorde je niemand klagen over vermoeidheid.'
Voor Jo Baumann lopen het heden en het verleden door elkaar heen. De activiteiten ter herdenking van de Slag om Arnhem wil ze graag meemaken. Ze ziet graag het verleden herleven. Vermoedelijk zal het niet lukken. Haar knieën zijn door de jaren zwak geworden, ze loopt steeds slechter. 'Als ze om de tien meter een bankje neerzetten, kan ik het volhouden. Ik zou het zo graag allemaal willen zien. Misschien valt er tijdelijk een rolstoel te regelen?'
Beeld van de jaarlijkse herdenking van de Slag om Arnhem op de John Frostbrug.
Marcherende mannen, ronkende vliegtuigen, zware geluiden, ze zou het graag horen. Want haar verleden, dat is toch die oorlog en die evacuatie. Dan weer praat ze over de manier waarop ze nu tegen de oorlog aankijkt, om dan via Bosnië toch weer in het weeshuis uit te komen.
'Je past je aan aan de situatie. Op allerlei dingen reageer je anders. In de oorlog zag ik aan de Tooropstraat een aanhangwagen met lijken. 'Oh, een aanhangwagen met lijken', dacht ik. Verder niets. Zou ik zo'n aanhanger vandaag tegenkomen, dan zou ik het doodeng vinden. Ja, zo is het nu in Bosnië ook. Ach, als ik die oude mensjes en die kinderen daar zie, vind ik het allemaal zo erg. Als je weet hoe het is om je woonplaats in puin terug te vinden. Je weet niet wat er nog staat.'
Het fotoalbum dat ze bij haar vertrek achterliet, bleek er bij terugkeer nog te zijn. Maar de foto van haar vader was eruit verdwenen. De enige herinnering die restte, was zijn trouwfoto.
'Een foto is zó belangrijk', weet ook Margo. 'Stel, je huis staat in brand. Dan moet je natuurlijk eerst zorgen dat de mensen en de dieren het huis uit komen, maar daarna komen de foto's en de papieren. Die papieren kun je eventueel ook nog wel laten liggen, maar foto's zijn onvervangbaar.'
Ze zegt het droevig, maar barst daarna in een schaterlach uit. 'Haha, toen we terug gingen naar Arnhem, hoopten we dat het weeshuis er niet meer zou staan. Toen we er weer waren, bleek alles plat te liggen. Echt alles was kapot.
Alleen het weeshuis stond er nog. En in de schuur lagen ook die verrekte rothoedjes nog. En daar hadden we zo'n hekel aan. Ik weet niet of ze al kapot waren, maar we zijn er meteen op gaan dansen zodat we ze nooit meer hoefden te dragen.'
Dit verhaal verscheen op 10 september 1994 in De Gelderlander bij gelegenheid van de vijftigste herdenking van de operatie Market Garden.




