Het was een hit, meteen na de oorlog, en Albert de Booij en Lou de Groot schreven het:

In mijn straatje woont een meisje, Luist'rend naar de naam van Trees, 'n Echte Hollandse verschijning
Knap, en aardig in d'r vlees,  Nooit moest zij iets van verkering, Vrijen vond ze ongezond
Maar direct na de bevrijding, Ging 't gerucht van mond tot mond,

Trees heeft een Canadees   O, wat is dat kindje in d'r sas, 
Trees heeft een Canadees,  Samen in de jeep en dan vol gas
Al vindt zij dat Engels lang niet mis is, Wil zij dolgraag weten wat een kiss is
Trees heeft een Canadees, O, wat is dat kindje in d'r sas.

Maar het was niet alleen Trees die een Canadees aan de haak sloeg. Nederlandse vrouwen vielen voor Duitse militairen, later voor de stoere bevrijders. Veel Nederlandse jonge mannen hielden aan hun al dan niet gedwongen Arbeitseinsatz in Duitsland een liefde uit een Oost-Europees land over. En of het nou blijvertjes waren of niet; uit veel van die romances werden ook weer kinderen geboren.