De Duitse inval op 10 mei 1940 leidde voor Nederland een periode in van aanvankelijk nog relatieve rust voor de ene bevolkingsgroep en repressie en vervolging voor Joden en 'andersdenkenden'. Langzaamaan werd duidelijk wat het leven onder de 'nieuwe orde' betekende. De anti-Joodse maatregelen en uiteindelijk het vanaf mei 1942 daadwerkelijk oppakken en wegvoeren van de Joodse bevolking, de acties van opkomende illegaliteit, de onderduik. De oorlog, in de zin van legers die elkaar te lijf gaan, is zijn lange tijd 'ver weg'; overdag vooral zichtbaar aan de hemel als de condensstrepen van de formaties Amerikaanse bommenwerpers op weg naar Duitsland, 's nachts hoorbaar als het geronk van de motoren van hun Britse collega's.
In september 1944 wordt Nederland frontgebied, na mislukte Slag om Arnhem. Burgers zitten ineens middenin de gevechten, leven in schuilkelders onder aanhoudende beschietingen, worden geëvacueerd, gaan de hongerwinter tegemoet.




