16 maart: bommen op Doetinchem
Doetinchem kijkt in maart 1945 reikhalzend uit naar de bevrijding. In plaats daarvan krijgt de stad de grootste klap uit haar historie te verwerken. Doetinchem wordt op 19, 21 en 23 maart opgeschrikt door geallieerde bombardementen. Daarbij vallen 170 doden.
Aangenomen wordt dat de geallieerde bommenwerpers Doetinchem per ongeluk bombardeerden; ze zouden Doetinchem voor de Duitse plaatsen Isselburg en Anholt hebben aangezien. Hein Tomesen (1930) maakte die de drie bombardementen van dichtbij mee. Van de hand van de Doetinchemmer verschijnt deze maand een boek over zijn ervaringen: Vlucht uit de brandende stad.
De familie Tomesen heeft gedurende de oorlogsjaren te maken met ingekwartierde Duitse militairen. Hein Tomesen: ‘Ze hadden de kamers gevorderd, daar hadden wij niets over te zeggen. Maar we hadden geen last van ze. Ze kwamen alleen maar naar ons huis om te slapen en hun laarzen te poetsen.’
De binnenstad van Doetinchem blijft gedurende de Tweede Wereldoorlog nagenoeg buiten schot. Maar alles verandert wanneer op 19 maart 1945 het centrum van de stad door een bombardement wordt getroffen. Op 21 en 23 maart volgen opnieuw bombardementen.
Een verwoest Doetinchem. Foto: Stadsmuseum Doetinchem
De Doetinchemse familie woont in het centrum, in de Waterstraat. Hein Tomesen: ‘Nemaho was een houtverwerkingsfabriek maar die werd in de oorlog door de Duitsers gebruikt als reparatiedepot. Daar kwamen de Engelsen achter. En die hebben op 19 maart, het was op een maandagmorgen, bommen op de fabriek gegooid.’
Tomesen: ‘De bommen vielen een meter of tien van ons huis. We zaten met de hele familie in de kelder.’ Het tweede bombardement was twee dagen later en vond plaats rond vijf uur ’s middags. ‘Mijn vader en ik waren alleen thuis, mijn moeder en de thuiswonende kinderen waren naar het ziekenhuis. Bij het eerste bombardement waren sommige van de buren gewond geraakt. Gelukkig waren mijn vader en ik op tijd in de kelder.’
Een deel van de binnenstad wordt bij het tweede bombardement compleet weggevaagd. Het bombardement die woensdag is de geschiedenisboeken ingegaan als een vergissing. Geallieerde vliegers klagen die dag over slecht zicht en zien Doetinchem voor het Duitse Isselburg, het doelwit, aan.
Of dit bombardement daadwerkelijk een vergissing is, daarover zijn de meningen verdeeld. Vanuit de lucht lijkt Isselburg helemaal niet op Doetinchem. Bovendien is het die dag goed weer, volgens inwoners van Doetinchem.
Weerman Reinout van den Born van Meteo Consult in Wageningen zegt dat het weer in de Achterhoek op 21 maart 1945 goed is. Het weer wordt bepaald door een hogedrukgebied. ‘Op alle stations, die toen in de lucht waren, was het die dag zonnig met minimaal acht zonuren. De temperaturen lagen die dag tussen 10 en 15 graden bij een matige westzuidwestenwind. Prachtig voorjaarsweer’, zegt Van den Born over de omstandigheden.
In dat opzicht is de meteoroloog geneigd de bevolking van Doetinchem gelijk te geven. ‘Hoe het zicht was, is niet helemaal te garanderen. Het kan natuurlijk nevelig zijn geweest. En ook nevel is voor piloten lastig, omdat zij schuin op de aarde kijken. Wellicht keken ze ook tegen de zon in, rond het tijdstip dat ze bombardeerden. Zon tegen, gecombineerd met nevel maakt dat de wereld onder je in een witblauwe gloed verdwijnt. Dan is het toch lastig om de steden goed te onderscheiden en is een vergissing, voor piloten die de omgeving hoe dan ook niet kennen, zo geboren. Ik sluit dat zeker niet uit.’
Het tweede bombardement zet Doetinchem in brand, weet Hein Tomesen. ‘Mijn vader wilde weg, we moesten de stad uit. We moesten richting buurtschap Dichteren.’ En daar is de jonge Hein Tomesen wanneer op 23 maart Doetinchem voor de derde keer onder vuur wordt genomen. ‘Ik zag rook boven de stad hangen en wist dat het weer mis was. De rest familie was gelukkig al we uit de stad en onderweg naar Dichteren met een handkar. In de buurtschap waar zoveel evacués, dat een aantal moest vertrekken in noordelijke richting.’
Ook bombardement drie staat in geallieerde vluchtrapporten als zijnde een vergissing. Doelwit die dag is het Duitse Anholt. Uit de archieven van Anholt komt naar voren dat op 23 maart 1945 geen bommen op de Duitse stad zijn neergekomen. Evenmin liggen op de begraafplaats van Anholt mensen begraven die door het bombardement van die bewuste om het leven zouden zijn gekomen.
Intussen moeten Hein Tomesen en anderen ook weg uit buurtschap Dichteren. De familie vertrekt met de handkar richting Wijnbergen bij Zeddam. Daar wachten ze op de bevrijding; die volgt op 1 april.
Maquette
De zoon van Hein Tomesen, Herbert (1959), maakte een maquette van Doetinchem, zoals de stad er voor de bombardementen heeft uitgezien. Zijn interesse voor het nabouwen van het vooroorlogse Doetinchem werd onder meer aangewakkerd door zijn grootvader, de vader van Hein Tomesen die drie schilderijen in 1945 had gemaakt van het toen verwoeste Doetinchem.
In 1985 begon Herbert Tomesen met zijn eerste van meer dan vijfhonderd gebouwen die het kunstwerk sieren. Tien jaar zou Tomesen jr. doen over zijn project. De maquette heeft een omvang van 6 bij 4,40 meter. De schaal is 1:100, schrijft Herbert Tomesen in het boek Maquette van een verdwenen stad dat hij samenstelde over de bouw van de maquette.
Een deel van de maquette. Foto: Stadsmuseum Doetinchem
Het schaalmodel is te zien in het Stadsmuseum in Doetinchem. Directeur Els Simonetti beschouwt de maquette als een van de pronkstukken in het museum, dat binnenkort verhuist naar het voormalige postkantoor. Simonetti: ‘Wat algemeen minder bekend is, is dat Doetinchem relatief gezien door de drie bombardementen zwaar getroffen is.’
Na zoon Herbert is het nu de beurt aan de vader van Herbert Tomesen. Van hem verschijnt deze maand een boek over zijn ervaringen. ‘Ik was een kleine jongen, maar ik heb veel ellende gezien. Het is mijn verhaal, zoals ik de laatste oorlogsmaanden heb beleefd vanuit mijn ouderlijke huis aan de Waterstraat. Er is daar zoveel gebeurd. Mijn jongste broer is te jong om zich alles te herinneren en een oudere broer van mij zat in die dagen niet in Doetinchem.´
Een deel van de maquette. Foto: Stadsmuseum Doetinchem
De architect in ruste beschouwt het als zijn morele plicht om zijn ervaringen op te schrijven, daarbij overigens aangespoord door zijn zonen Diederik en Herbert. Tweeënhalf jaar is Tomesen bezig geweest om zijn verhaal op papier te zetten.
In het boek staan ook de verhalen van enkele buurtkinderen die net als Hein Tomesen hachelijke ogenblikken hebben gekend tussen 19 en 23 maart 1945.
‘Vlucht uit de brandende stad’ van Hein Tomesen is voor € 22,50 op diverse locaties verkrijgbaar, onder meer bij VVV Montferland. Voor vragen en meer informatie VVV-Montferland, Hof van Bergh (Poortwachtershuisje, Huis Bergh), tel. 0314-632822 of info@vvv-montferland.nl
Annie Köster-Sloot (83), Etten
De bombardementen op Doetinchem, waarbij ook Zelhem en Gaanderen worden getroffen, worden in de wijde omtrek met angst en beven waargenomen. Eén van deze ooggetuigen is Annie Köster-Sloot (83). Annie woonde destijds op de boerderij van haar ouders in Etten.
‘Mijn ouders hadden twaalf kinderen, ik was de op een na kleinste. Ik kan me de beschietingen op Doetinchem nog erg goed herinneren. De bombardementen brachten de oorlog voor ons heel erg dichtbij. De rookwolken trokken over de boerderij en uit de lucht vielen propjes papier.’
De familie Sloot woonde in Etten, een kilometer of vijf van de grens met Duitsland. Dat Duitsers vijf jaar lang Nederland zouden bezetten, was een vreemde gewaarwording. ‘We woonden zo dicht bij de grens, ik heb nooit narigheid met Duitsers meegemaakt. Mijn ouders hielden me wel nauwlettend in de gaten in die tijd, want als meid van 15, 16 jaar wilde je natuurlijk de wereld ontdekken.’
De laatste vijf dagen voor het einde van de strijd in de Achterhoek zat de familie Sloot in de kelder. ‘Op een dag hoorden we wagens het erf op rijden. Eerst dachten we dat het Duitsers waren, die waren ook bij ons in huis. Het bleken Engelsen en Canadezen te zijn. De Tommy’s hebben twee Duitse soldaten bij ons van zolder geplukt.’
De intocht van de bevrijders zal Annie Köster-Sloot nooit vergeten. ‘Ze hadden onder meer sigaretten bij zich. En heerlijk wit brood. Ze vroegen of ik ook wat wilde. Ik geloof niet dat ik ooit zulk lekker brood heb geproefd. Geallieerde soldaten zijn ook nog een poosje bij ons ingekwartierd geweest. We moesten over ze heenstappen als we naar de wc moesten.’
Honger kende het grote gezin in de oorlog nauwelijks, maar Annie Köster weet nog goed dat het bereiden van maaltijden niet altijd zonder gevaar was. ‘We slachtten wel eens stiekem een koe. Mijn zusjes kregen dan de opdracht om buiten te gaan spelen en een andere zus stond op de uitkijk. Kwamen er Duitsers aan of als ze iets verdachts zagen, dan moest zij ons waarschuwen.’
Betsy Chevalking-Wennink (83), Varsseveld
Betsy Wennink woonde in de Tweede Wereldoorlog in Westendorp. Haar ouders hadden in het dorp een brood- en banketbakkerij. ‘Mijn ouders hadden zes kinderen, vijf meisjes en een zoon. Mijn moeder zat in het verzet; ze moest onderduikers naar onderduikadressen brengen. Ik wist wat mijn moeder deed. Mijn vader hield zich er afzijdig van, hij stond er niet achter wat mijn moeder deed.’
Tegen het einde van de oorlog voelden Duitse militairen zich in het nauw gedreven. Ze zochten onderdak in de bakkerij. We stopten ze een paar dagen in de onderoven; die werd altijd gebruikt om het brood te laten rijzen. Later heeft een van de Duitsers mijn ouders nog bedankt dat hij bescherming had bij ons.’
De bommenwerpers die Doetinchem bestookten op 19, 21 en 23 maart vlogen over het ouderlijke huis van Betsy Wennink. ‘De winkel was open en we hadden ook klanten binnen. Ik ben op een gegeven ogenblik de straat op gevlucht. Het duurde nog dagen voordat het toen rustig werd. De Engelsen zaten de Duitsers op de hielen; zij zaten in Varsseveld en de Duitsers in Westendorp. Granaten vlogen over en weer. Bij die beschietingen zijn helaas ook mensen uit Westendorp omgekomen. Ik geloof een stuk of vier, vijf. Daar was een meisje van 4 bij.’
Betsy Wennink trouwde in 1951 met een voormalig dwangarbeider. Hij was te werk gesteld in een Duits werkkamp. ‘Het was een bommenfabriek. Hij heeft er drie jaar gezeten. Het laatste jaar wist zijn familie niet eens meer of hij nog in leven was.’
Bizar genoeg kwam ook de echtgenoot van Betsy Wennink uit een bakkersfamilie, Chevalking uit Doetinchem. Wie denkt dat de jongelui elkaar door brood en banket hebben leren kennen, komt bedrogen uit. ‘We hebben elkaar ontmoet bij de fanfare. Hij speelde trompet en ik saxofoon. Ik zit nu 71 jaar bij de fanfare in Westendorp.’
De man van Betsy Chevalking overleed in 1993. ‘De pijn van zijn verlies voel ik alsof hij pas gisteren is gestorven. Het blijft ellendig, vooral rond 5 mei.’
Halte 7
Studiogast in Halte 7 is de 74-jarige Wim Scheerder uit Doetinchem. Scheerder verloor bij het bombardement op 21 maart ('het zwaarste bombardement van de drie') zijn moeder. Zijn vader die een brood- en banketbakkerij had in de Boliestraat, overleefde als door een wonder de geallieerde aanval.
Wim Scheerder overleeft in maart 1945 de drie bombardementen op Doetinchem. De pas 9 jaar geworden jongen verliest bij het tweede bombardement op 21 maart zijn moeder. Dat bombardement verwoest bovendien de woning en de zaak van zijn ouders, een brood- en banketbakkerij in de Boliestraat in het centrum.
‘Mijn moeder en ik waren thuis, we zaten in de woonkamer. Nee, we hadden geen bescherming gezocht, omdat er geen luchtalarm was. We hoorden geen sirenes, geen enkele waarschuwing.’
Een bom vermorzelt alles. Wim heeft geluk, maar wanneer de stofwolken zijn opgetrokken kan hij zijn moeder nergens vinden. Wims moeder, de stuwende kracht achter het gezin, blijkt te zijn geraakt door een balk die haar nek breekt. ‘Ik heb mijn moeder niet meer gezien, maar ik was in shock, weet ik nog. Mijn vader en een broer van mij zaten op dat moment bij de kapper, bij ons om de hoek. Bij het bombardement kwam de kapper ook om, maar mijn vader en broer overleefden het’, vertelt Scheerder.
De dood van moeder Scheerder (49) is een schok voor het hele gezin, maar de achtergebleven familieleden moeten verder. ‘Mijn vader was in een klap zijn huis, zaak en vrouw kwijt. Maar hij kreeg binnen een maand al een noodwinkel in de Hamburgerstraat aangewezen, zodat hij verder kon. Zijn overlevingsdrang was groter dan zijn verdriet’, herinnert Scheerder zich. Jaren later hoort zoon Wim, tot zijn ontsteltenis, dat in de noodwinkel waar zijn vader terecht kon eerder een joodse banketbakkerij gevestigd was. ‘Die winkel blijkt van een familie te zijn geweest die is afgevoerd naar en omgebracht in het Poolse vernietigingskamp Treblinka.’
Een deel van het Stadsmuseum Doetinchem, ingericht als schuilkelder
Tien dagen na dat verwoestende bombardement op 21 maart wordt Doetinchem door Canadese soldaten bevrijd. ‘Dat is best wel wrang. In de stad heerste ook geen feestvreugde’, zegt de nu 74-jarige Scheerder. ‘Ik weet nog dat er in augustus allerlei festiviteiten waren, met parades en fanfares, maar er was voor ons geen reden om feest te vieren. We waren vooral toeschouwers daarvan.’
De vader van Wim Scheerder is, zegt zijn zoon, de eerste ondernemer in de verwoeste binnenstad van Doetinchem die in de Boliestraat een nieuwe zaak opbouwt. Aanvankelijk wil Scheerder sr. dat zoon Wim de zaak overneemt. ‘Ik had daar geen trek in, want ik wilde studeren. Dat heeft me heel wat overredingskracht gekost.’
Scheerder wordt leraar en hij vertrekt in 1963 naar Sint Maarten op de Nederlandse Antillen. Hij zet er scholen op. Bijna 40 jaar wonen hij en zijn vrouw op het bovenwindse eiland. ‘De oorlog lag bij mensen als wij natuurlijk nog vers in het geheugen, maar op Sint Maarten werd nooit over de oorlog gesproken. En dat werkte op mij als balsem.’
De eilandbewoners beleven in de periode dat Scheerder op Sint Maarten woont hun eigen verschrikkingen. Scheerder: ‘Ze kampten met twee gruwelijkheden: al die orkanen die de regio teisterden in het orkaanseizoen en de nasleep van de slavernij. Europeanen, zo leerden we de kinderen op school, brachten beschaving naar het Caribische gebied, maar we weten natuurlijk allemaal dat het niet alleen maar beschaving was vanuit Europa naar de Antillen.’
Deel van de tentoonstelling in het Stadsmuseum Doetinchem. Collectie: Achterhoeks Museum 1940-1945, Hengelo, Gld
Hij maakt menige orkaan mee, maar nooit is het natuurgeweld zo ernstig dat hij huis en haard kwijtraakt. ‘Orkaan Luis in september 1995 is wel de zwaarste geweest, maar we hebben geluk gehad. Na een orkaan zijn er twee soorten mensen: zij die hun dak hebben behouden en zij die het dak van hun huis kwijt zijn. En in dat laatste geval gebeurt er een ramp na een ramp. Doordat zout kan doordringen tot je persoonlijke bezittingen, gaan door het zout die spullen kapot.’
In 2000 keren Wim Scheerder en zijn echtgenote terug naar Nederland. ‘Ik ben geboren en getogen in Doetinchem en dus was het logisch dat ik daar naar terugging. Bovendien was de aanwezigheid van het Slingeland Ziekenhuis handig, omdat mijn vrouw sukkelde met haar gezondheid.’
Vrij snel wordt Scheerder gevraagd om medewerker te worden van het Stadsmuseum in Doetinchem. ‘Ik kwam er een keer binnen en zag er onder meer de maquette van Herbert Tomesen (diens vader publiceert dezer dagen een boek over zijn ervaringen in de oorlogsjaren, red.) van vooroorlogs Doetinchem. Waarom de mensen mij vroegen? Ik had een bekende achternaam, omdat mijn vader met zijn zaak veel klanten had in de stad.’
Scheerder sr. hertrouwt na zijn pensionering. ‘Toen-ie 65 was verkocht hij de bakkerij. Wij kinderen vonden het fijn dat vader weer gezelschap had. En dat heeft een jaar of twintig nog geduurd. We noemden haar moeder de tweede.’
De vrouw met wie de vader van Wim Scheerder in het huwelijksbootje stapt is de schoonmoeder van een Poolse soldaat Kowalski die met zijn kameraden Breda op 29 oktober 1944 bevrijdt. ‘Een bijzondere wending van het lot van mijn vader’, aldus Wim Scheerder.
Deel van de tentoonstelling in het Stadsmuseum Doetinchem. Collectie: Achterhoeks Museum 1940-1945, Hengelo, Gld
Als medewerker van het Stadsmuseum in Doetinchem is Wim Scheerder betrokken bij een tentoonstelling voor de groepen 7 en 8 in het basisonderwijs: Doetinchem 1940-1945. Die expositie die 20 maart begint en waarvoor een heuse schuilkelder in het museum wordt ingericht, kent een viertal thema’s: bezetting, verzet, bombardementen en bevrijding. Scheerder: ‘Twee jaar geleden hadden we een soortgelijke expositie en er hebben zich voor deze editie al meer dan duizend leerlingen van scholen in de regio aangemeld.’
De Doetinchemmer heeft een speciale rol gedurende de expositie in het museum, dat binnenkort verhuist naar het voormalige postkantoor van Doetinchem. Mijn eigen verhaal maakt deel uit van de tentoonstelling, en daar en ik best wel trots op.’
De tentoonstelling Doetinchem 1940 – 1945 duurt van 20 maart tot en met 2 mei en is te bezichtigen van dinsdag tot en met zondag tussen 13.00 en 17.00 uur.










