8 maart: natte voeten in de Betuwe
In het najaar van 1944 is het zuiden van Nederland en een deel van Gelderland door de geallieerden bevrijd. De Duitsers besluiten begin december 1944 de Betuwe onder water te zetten om de geallieerde troepen tegen te houden. Ze blazen een gat in de Rijndijk bij Driel.
Daan Viergever
In de aflevering in Goedemorgen Gelderland over de Betuwe staan we stil bij de belevenissen van twee evacués, Daan Viergever (75) uit Zetten en Hans van den Hatert (87) uit Echteld.
Hans van den Hatert
Viergever zat maandenlang als evacué in Tilburg en Van den Hatert bracht de laatste maanden van de oorlog, nadat de Betuwe door de bezetters onder water was gezet, onder meer in Tiel door op een boerderij.
Viergever en zijn familie zaten in het bevrijde en droge Zuiden, Van den Hatert kreeg de opdracht van Hollandse SS'ers om plunderingen uit te voeren in Tiel. Doordat de SS'ers in een vuurgevecht terechtkwamen, kon Van den Hatert vluchten. Hij belandde uiteindelijk in Kerk-Avezaath. Daar wachtte hij het einde van de bezetting af.
Halte 7
Een klein gebied rond Lent lag hoog genoeg om niet onder water te staan. Het gebied werd bewaakt door zo’n duizend mannen en wordt het Manneneiland genoemd. Deze mannen bewerkten het land en herstelden de schade die aan gebouwen door oorlogsgeweld was ontstaan.
Een van de laatste overlevenden van het personeel op het Manneneiland is de nu 85-jarige Sjaak Rikken uit Herveld. Hij werkte als klerk in een commandocentrum van het tijdelijke gezag daar waar nu de nieuwbouwwijk van Oosterhout is gevestigd. Daar moest Rikken tussen september 1944 en de bevrijding onder meer politierapporten uitwerken. Ook werkte hij voor het gezag in Lent, in het klooster. Daar werden speciale permits gemaakt.
Rikken zat meestentijds op kantoor, maar hij mocht af en toe ook mee met Engelse jeeps. Naar Nijmegen. ‘Daar haalden we eten op.’ Gezien zijn leeftijd zou Rikken beschikbaar zijn geweest voor de Arbeitsatz, het werken in dienst van de bezetters.
Maar Sjaak Rikken ontsprong de dans. ´Ik mis aan mijn linkerhand vier vingers en dan kun je niet veel.´ Dat Rikken niet werd ingezet bleek tijdens een Duitse razzia in de Goffert in Nijmegen. ´Ik werd gewoon aan de kant geduwd.´
Het water in de Rijn was in het najaar van 1944 gestegen; de Betuwe was al voor een groot deel geëvacueerd, omdat het er te gevaarlijk werd. De laatste burgers werden in november weggebracht naar bevrijde gebieden in Noord-Brabant en Vlaanderen.
Thijs van Woerkom (75) geldt min of meer als het geschiedkundige geweten van Oosterhout. ‘Mijn vader werkte op het Manneneiland. Hij is hier na de bevrijding enige tijd locoburgemeester geweest. Hij had in Oosterhout een jamfabriek.’
Thijs van Woerkom
Van Woerkom sr. mocht na de bevrijding tijdelijk de scepter zwaaien over de toenmalige gemeente Valburg; de oude burgemeester keerde weliswaar terug na een ballingschap (de bezetter werkte in de oorlog met NSB-burgemeesters) maar werd kort na de bevrijding staatssecretaris in Den Haag.
Zoon Thijs van Woerkom hoorde na de oorlog dat ingekwartierde Engelse militairen die sinds Market Garden de baas waren op het ‘eiland’ buiten hun boekje gingen door goederen te stelen uit de verlaten woningen. ‘Alles wat draagbaar was namen ze mee. Meubels bijvoorbeeld. Er zijn complete woningen leeggehaald.’ Sjaak Rikken bevestigt dit: ‘Als de legerleiding daar achterkwam, dan stonden daar zware straffen op. Ze werden dan te voet door het dorp gestuurd met loodzware zakken. Dat heb ik een paar keer gezien.’
De contacten tussen de ‘eilanders’ en de Engelsen waren desondanks goed, zegt Rikken. ‘Ik mocht niet mopperen. De militairen deelden sigaretten uit en drank en we waren natuurlijk blij dat we in een bevrijd gebied woonden. Bovendien, bijna vijf jaar lang mochten we, omdat we waren bezet, helemaal niets doen.
Minder leuke klusjes waren er eveneens, aldus Van Woerkom, inwoner van Oosterhout. ‘De Duitse bezetters hadden overal mijnen achtergelaten en die moesten worden geruimd. Dat moesten Duitse krijgsgevangenen doen.’
Van Woerkom was gedurende de periode van natte voeten in de Betuwe ondergebracht in Ravenstein. Daar ging hij ook naar school. ‘Mijn vader kwam geregeld over’, herinnert Van Woerkom zich nog.
Zijn vader hield een dagboek bij. Thijs van Woerkom: ‘Er waren in de gemeente veel woningen door het oorlogsgeweld beschadigd. Hij regelde dan voor de mensen tijdelijk onderdak elders. Van Woerkoms vader had vanwege zijn functie veel contact met de Engelsen. ‘Hij kon zich ook aan die jongens ergeren wanneer ze spullen hadden gestolen. Dat beschouwden de Engelsen als oorlogsbuit. Die spullen verkochten ze weer of gaven ze weg aan vriendinnetjes.’
Op het manneneiland zaten bijna alleen mannen; een van de bewoners was een wijkverpleegster. ‘Die is nog een keer te grazen genomen’, vertelt Van Woerkom. ‘Haar was verteld dat koningin Wilhelmina een toespraak op de radio zou houden. Ze is daar toen eens goed voor gaan zitten. Hoorde ze opeens de bulderende stem van Hitler.’
Nadat de Overbetuwe weer was drooggevallen, kwam ook vrij snel de hulpverlening aan het getroffen gebied op gang. Van Woerkom: ‘Uit andere delen van het land kwamen bouwvakkers om noodwoningen te bouwen. De tuinders kregen bijstand van collega’s uit het westland. En uit Friesland kwamen goederen en vee. Die werden verdeeld onder de teruggekeerde mensen in Zetten, Herveld, Valburg, Lent en Oosterhout.’ Evacués hadden hun vee meegenomen naar hun nieuwe adressen in Noord-Brabant en Vlaanderen. Van Woerkom: ‘Daarom was er na de bevrijding te weinig in de Betuwe. Dat werd dan door vee uit Friesland aangevuld.’
Voor een klein kind, toen de oorlog was afgelopen was Thijs van Woerkom 10 jaar, was het vooral een spannende periode. ‘Ik ben één keer bang geweest. Ik fietste bij Nijmegen toen er plotseling werd geschoten. Ik ben toen in een droge sloot gaan liggen.










