1 maart: het Duitse verhaal
In en om Kleef moest de katholieke bevolking niets hebben van het Hitlerregime. De idee dat door genetische experimenten een superieur ras kon worden gecreëerd, druiste in tegen het geloof van de bevolking.
Kleef heeft twee zware bombardementen gehad, op 7 oktober 1944 en op 7 februari 1945. Bij het eerste bombardement vielen voorzover bekend 562 burgerslachtoffers. Vanaf dat moment was Kleef tot verboden gebied verklaard.
Burgers moesten toen formeel de stad uit, maar lang niet iedereen hield zich daaraan, zegt de archivaris van de Stadt Kleef, de Nederlander Bert Thissen.
Voordat het grondoffensief begon op 8 februari werd Kleef voor de tweede keer gebombardeerd, in dit geval voor namelijk de 'bovenstad'.
Onder meer de gevangenis werd getroffen. Volgens Thissen zaten daar op dat moment ongeveer honderd dwangarbeiders uit Oekraïne, die onder andere moesten helpen met het bergen van doden en het ruimen van puin na het eerste grote bombardement. Zij kwamen in hun cellen om.
Het centrum van Kleef was voor 80 tot 90 procent verwoest, en de gevolgen daarvan zijn nu nog zichtbaar. Om een voorbeeld te noemen: tot de dag van vandaag kan er vrijwel geen nieuwbouw van enige omvang worden gepleegd zonder dat van tevoren tenminste een onontplofte bom wordt gevonden. Thissen: 'Zelfs toen het gebouw waarin thans het archief van Kleef is gevestigd werd gebouwd, kwamen de bouwers een bom tegen. De laatste vijf jaar zijn er een stuk of twintig aangetroffen op bouwplaatsen.'
Oorlogsgraf van geallieerde soldaat op oorlogsbegraafplaats Kleef. Foto: ANP
Voor vele inwoners van Kleef, zegt Thissen, was het een foute oorlog. 'De regio rond Kleef was en is katholiek en dat mag niet worden onderschat. De nazi's mochten de katholieken niet en de katholieken konden zich bijvoorbeeld niet verenigen met de genetische experimenten van de nazi's om het Arische ras te verbeteren. En men moet niet vergeten dat het naziregime ook in dit gebied door velen als een terreurregime werd beschouwd.'
Tot 1938 kende Kleef ook een synagoge. Die werd tijdens de Kristallnacht (9 op 10 november 1938) volledig verwoest. Op de plek waar de synagoge zich bevond staat nu een monument ter nagedachtenis aan de Kristallnacht. Thissen: ‘Het woord Kristallnacht is anno 2010 in Duitsland vrijwel taboe, terwijl het in Nederland onbekommerd wordt gebruikt. Duitsers zijn er zich van bewust dat de term door de Nazi’s zelf werd gehanteerd en in feite een eufemisme was. Zij spreken daarom tegenwoordig eerder over de Reichspogromnacht.’
Wat betreft de terreurmethoden van de Nazi's dringt zich de vergelijking op met de latere praktijken in de DDR. De staatspolitie Stasi noteerde in de DDR alles wat de burgers deden en had overal spionnen. Dat was gedurende de oorlog onder Hitler niet anders.
De bevrijding die in Nederland wordt gevierd op 5 mei wordt ook in Kleef en omliggende plaatsen uiteindelijk als een echte bevrijding beschouwd, namelijk de bevrijding van de Nazi-terreur. Thissen: 'Er zijn heel veel doden gevallen door de bombardementen door de geallieerden, maar desondanks wordt het offensief van de geallieerden ook in Kleef beschouwd als een bevrijdingsactie. Dit ondanks de ellende die de inwoners hebben meegemaakt.'
Huizen zijn deels gebouwd van de puinhopen die waren ontstaan als gevolg van de twee bombardementen. Bert Thissen: 'Er is een speciale installatie geplaatst die uit het puin nieuwe bouwstenen perste. Bij het draagvermogen van dit gerecyclede materiaal worden wel vraagtekens geplaatst. De sterkte ervan is feitelijk onbekend.'
Anni Hendricks
Als tiener was Anni Hendricks (82) verplicht om te verschijnen op bijeekomsten ter eer en meerdere glorie van de Führer, Adolf Hitler. 'Ik moest', zegt de inwoonster van Materborn, tegenwoordig een woonwijk van Kleef. 'Ik ging liever naar de bijeenkomsten van de katholieke jeugd in Kleef.'
Voor Anni en haar familie begon de ellende op 26 september 1944. Bij een bombardement kwam haar broer om het leven. Begin februari was het opnieuw raak. Grote delen van Kleef werden door geallieerde bommenwerpers plat gebombardeerd. 'Op 11 februari zijn we door Engelse soldaten uit onze kelder gehaald. We moesten het huis uit en we mochten niets meenemen. Tien meter van het huis was een blindganger terechtgekomen. We hebben geluk gehad dat daar niets mee gebeurde, anders waren we er allemaal aan gegaan.'
Anni kwam in interneringskamp Bedburg Hau terecht, een paar kilometer verwijderd van Kleef. In Bedburg Hau was een psychiatrisch ziekenhuis gevestigd. De Duitsers steriliseerden er gedurende de oorlogsjaren verstandelijk gehandicapten. Ook werden verstandelijk gehandicapten er vermoord.
Toen de geallieerden het bewind in Bedburg Hau hadden overgenomen moesten Anni en haar familie met ruim 40 anderen slapen op de grond. 'Het was er verschrikkelijk. In de ruim zeven weken dat ik er gezeten heb, heb ik me niet een keer fatsoenlijk kunnen wassen. Er brak ook nog eens tyfus uit. Maar we hebben de tijd in het kamp allemaal overleefd.'
Gedurende haar verblijf in het interneringskamp op het terrein van het psychiatrische ziekenhuis in Bedburg Hau kregen Anni en haar familie toestemming om af en toe naar huis terug te keren. 'We kregen dan zeep van de Engelsen die in ons huis zaten', herinnert ze zich. 'Maar de soldaten waren soms hondsbrutaal. Mijn zus wilde een keer een braadpan uit ons huis meenemen naar het kamp, maar dat mocht alleen maar als ze met een soldaat naar bed zou gaan.'
Een keer in haar eigen huis stond Anni doodsangsten uit: 'De soldaten hadden een feestje gebouwd en waren overduidelijk dronken. Een van hen wilde met zijn dronken kop naar boven, waar wij een kamer hadden. Ik was toen echt bang, maar gelukkig heeft een andere militair de soldaat ervan weerhouden om onze kamer binnen te gaan.'
Anni Hendricks vertelt dat in de omgeving van Kleef veel meisjes zwanger werden van Engelse soldaten. ‘Dat was uit vrije wil, van verkrachting was geen sprake. Ik weet zeker dat als Kleef door de Russen zou zijn bevrijd, het veel erger met de 'mädels' zou zijn afgelopen.'
Maria Diedenhofen
De 73-jarige Maria Diedenhofen uit Kleef heeft, ondanks het feit dat ze piepjong was, duidelijke herinneringen aan de oorlog. Haar twee jaar oudere broertje overleed en haar vader moest naar het oostfront. 'Ik was drie toen mijn twee jaar oudere broertje stierf', legt ze uit.
'Mijn broertje was ziek en koortsig. Mijn moeder ging met hem naar de dokter, maar de arts had eigenlijk alleen maar oor voor de verpleegster die vertelde over de successen van de Wehrmacht. De dokter onderzocht mijn broertje dat buikpijn had maar heel kort en zei tegen mijn moeder, dat ze maar naar huis moest gaan.' De ziekte was toch ernstiger dan gedacht want na enkele dagen stierf de jongen.
De tweede gebeurtenis was op de geboortedag van Hitler; de ouders van Maria hadden verzuimd de vlag uit te hangen. Maria Diedenhofen: 'Ze waren tegen het regime en wilden de verjaardag van de Führer niet vieren. Het kwam Maria's vader op een zending naar het Oostfront te staan. 'Mijn vader werd de oorlog ingestuurd. En dat vond ik verschrikkelijk. Ik heb geschreeuwd dat Hitler dood moest.’
Haar vader was elektricien. In het Duitse leger was hij wapenmeester. Van onder meer lege koperen wapenhulzen maakte Maria's vader een koffieservies. Dat stuurde hij naar zijn dochter. 'Ik was daar zo blij mee. Ik sleepte het servies overal mee naartoe. En als ik ermee speelde, dan was mijn vader in gedachten bij mij. Het koffieservies was voor mij het symbool van de vrede in de oorlog.'
Pas in de winter van 1946 kwam de vader van Maria terug naar huis. Hij had in een kamp gezeten, ergens in Oekraïne. 'Hij is helemaal komen lopen', vertelt Diedenhofen. Overdag verborg hij zich bij boeren, mensen deelden soms hun laatste brood met hem. 's Nachts was hij onderweg. Zijn schoenen waren helemaal kapot.'
Maria's vader keerde terug als een volstrekt andere man. 'Hij was voor die tijd zo'n ontzettend lieve man. De oorlog en het gevangenschap in Oost-Europa hebben hem getekend.'
De winteravond van haar vaders terugkeer vergeet Maria nooit, zegt ze. 'Ik lag al op bed en werd op een gegeven moment gewekt. Op de bank zat een man met een baard, ik dacht aanvankelijk dat er hij eruitzag als een slechtgeklede sinterklaas, want Nicolaus wordt ook bij ons gevierd. Ik draaide me om, wilde de trap weer oplopen toen hij zei: herken je mij niet meer?'
Maria Diedenhofen werd onderwijzeres. In 2000 begon ze gedichten op te schrijven. Ook schreef ze een boek over haar koperen koffieservies. Dat boek is onder meer verkrijfbaar bij het Nationaal Bevrijdingsmuseum in Groesbeek. De inwoonster van Kleef is tegenwoordig actief in de organisatie Nachbarn Ohne Grenzen; een Nederduitse instantie die zich bezighoudt met het bevorderen van wederzijds begrip tussen Nederlanders en Duitsers.
Het koperen koffieservies heeft Maria nog steeds. Ze heeft wel eens met de gedachte gespeeld om het vredessymbool ter beschikking te stellen aan het Nationaal Bevrijdingsmuseum in Groesbeek. ’Ik weet nog niet wat ik ermee moet doen’, zegt ze. ’Mijn kleindochter Franziska van 17 heeft eens uitgeroepen toen ze een jaar of tien was: het servies moet in de familie blijven.’
Maria's vader werd 89, maar hij kwam de ontberingen nooit te boven.
Kamp Rees
In Halte 7 zijn Ab Gerritse (82) en Arend Disberg te gast. Gerritse zat enige tijd in een werkkamp over de grens bij het Gelderse Megchelen, Kamp Rees. Disberg schreef in 2005 een boek over de ervaringen van meer dan honderd dwangarbeiders in dit kamp. Zijn vader was een van de vele dwangarbeiders. Velen wisten te ontkomen, maar ook stierven vele mannen door de slechte omstandigheden.
Oproep voor het werkkamp
Kamp Rees bestond van begin december 1944 tot 23 maart 1945. Van de 3500 dwangarbeiders kwamen enkele honderden om. Gerritse overleefde het, hij wist te ontsnappen.
De dwangarbeiders in Kamp Rees moesten in de omgeving van Rees onder bewaking loopgraven en tankgraven graven voor de Duitse Wehrmacht. Die dienden als verdedigingslinie en die moesten de geallieerden tegenhouden zodra die bij Wesel de Rijn zouden zijn overgestoken om daarna door te stoten naar de Achterhoek en de Liemers. Ab Gerritse: 'Je probeerde natuurlijk het werk een beetje te saboteren. Zodra de soldaten die andere kant op keken, zette je de spade rechtop. Zodoende schoot het werk niet op.'
De omstandigheden in en buiten het kamp waren loodzwaar, zegt Gerritse. 'Maar of ik bang ben geweest, dat weet ik eigenlijk niet meer. Ik besef dat ik geluk heb gehad, maar daar dacht ik toen niet over na. Dat besef is pas in de jaren '60 gekomen. Soms word ik daar nog emotioneel van. Wie de werkkampen niet heeft meegemaakt, weet niet wat al die mannen hebben moeten doormaken.'
De dwangarbeiders waren ondergebracht in de dakpannenfabriek van Rees, oorspronkelijk eigendom van een joodse familie. De omstandigheden waren erbarmelijk. De droogloodsen hadden half open wanden en de kleibodem was erg vochtig en er lag wat stro. Eten was er nauwelijks en bestond uit dunne koolsoep en wat brood.
Gerritse kwam in Rees terecht na de razzia van 2 december in Apeldoorn, een gedenkteken op de Markt herinnert daar sinds 2004 aan. Omdat hij niet wilde worden opgepakt, had de jonge Ab zich verstopt in de bomenkwekerij van de buren. 'Ik werd in de kwekerij geroepen door mijn buurmeisje. Ze riep: je moet hier weg, want er zijn Duitsers en die schieten alles overhoop.'
Dat verhaal bleek niet te kloppen. Gerritse hoorde later dat de buren joden in huis hadden en dat het buurmeisje vanwege de aanwezigheid van de Duitsers gedwongen werd tot een afleidingsmanoeuvre. ‘Ze was gestuurd door haar moeder.'
Gerritse werd op de trein gezet, weet hij nog. 'We hebben zo'n dertig uur rondgereden en we zijn zelfs onderweg beschoten. Ik had geen idee waar we terecht zouden komen, maar uiteindelijke belandden we in Zevenaar. Van daaruit moesten we lopend naar Rees.'
Gerritse wist uiteindelijk te ontkomen door over een hoge muur te klimmen, samen met nog iemand. ‘We kwamen terecht in de tuin van een Duitse pastoor, weet ik nog, Hij liep te bidden. Maar het was een goede man, want heeft ons laten lopen.’
Bij de grens van Duitsland met Nederland stonden Gerritse en zijn maat oog in oog met een Duitse soldaat. 'Die man draaide zijn rug naar ons toe. Tja, toen konden we maken dat we wegkwamen.’
In Rees bestaat al een Duits monument dat herinnert aan het strafkamp. Zondag 28 februari 2010 kwam daar een Nederlands informatiepaneel bij; in Megchelen werd op de hoek Julianaweg-Pastoor Geerdink Johanninkweg eveneens een gedenkteken onthuld. Een en ander kwam tot stand door een initiatief van het Comité Leefbaarheid Megchelen en de Oudheidkundige Vereniging Gemeente Gendringen (OVGG).
Zondag was niet alleen de onthulling van twee gedenktekens, ook was er een wandeling van oud-dwangarbeiders van Rees naar Megchelen, georganiseerd door Peter van Toor van de OVGG.
Arend Disberg (52) is zoon van een dwangarbeider in Kamp Rees. Vijf jaar geleden kwam over dit kamp het boek De verzwegen deportatie uit. Daarin staan verhalen van ruim honderd dwangarbeiders, onder meer dat van zijn vader, die in 2003 overleed.
Kleef in cijfers
Op 29 september 1944 vielen bij een bombardement met jachtbommenwerpers op de ‘onderstad’ van Kleef (de omgeving van het toenmalige ziekenhuis) circa honderd burgerdoden. Bij de massale bombardementen met grote bommenwerpers vielen op 10 oktober 1944 en 7 februari 1945 respectievelijk 562 en 69, militaire slachtoffers niet meegerekend. Meer dan de helft van de slachtoffers was vrouw en de gemiddelde leeftijd was 41 jaar. Het jongste slachtoffer was 1 jaar oud, het oudste 92.











